| 18021 |
fluim |
fluim:
fluum (L331p Swalmen),
klark:
klark (L331p Swalmen)
|
fluim [SGV (1914)] || fluim [klad, kwalster, kwaaier] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 18024 |
fluimen uitspuwen |
klarken:
klarke (L331p Swalmen)
|
spuwen: fluimen uitspuwen [kwalstere, kwaajere, uitgooje] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22123 |
fluiten naar de duiven |
fluiten:
fluite (L331p Swalmen)
|
Hoe noemt U het fluiten naar de duiven? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 24147 |
fluiter |
amermusje:
ao.memöske (L331p Swalmen),
grasmus:
graasmös (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
ovenmusje:
zou event. ook avond- kunnen zijn
aovemöske (L331p Swalmen)
|
fluiter || fluiter (12,5 alleen in hoge loofbossen; vrij zeldzaam; roep vrij luid [djuu-djuu]; zang onder het vliegen [tjip-tjip-tjip-tjirrrrrrrr] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 28760 |
fluweel, velours |
velours:
flūr (L331p Swalmen)
|
Weefsel met een bovenkant met rechtopstaande garenuiteinden, ontstaan door een bijzondere afwerking. De binding bestaat uit een grondweefsel, in effen of keper, waartussen draden, die over grotere afstanden los liggen. Door deze door te snijden en op te borstelen ontstaat een pluche-achtig haardek: pool. Door zacht ruwen wordt het ø̄pluizenø̄ bevorderd, waarna de pool op een bepaalde lengte wordt afgeschoren (Bonthond s.v. ø̄fluweelø̄. [N 62, 78; N 62, 75f; 59, 201; MW; L 1a-m; L 23, 57a; S 9; monogr.]
II-7
|
| 33755 |
fokmerrie |
fokmeer:
fǫkmɛ̄r (L331p Swalmen)
|
Een merrie geschikt voor de kweek of die één of meer veulens gehad heeft. Een kweekmeer werkt niet (Q 168), terwijl een veulensmeer ook in de kar loopt (Q 77). In tegenstelling tot een veulensmeer is een kweekmeer gewoonlijk drachtig. Kleinere boeren zorgen ervoor een veulensmeer te hebben, die jaarlijks een veulen werpt, waardoor elk jaar een aanspanner ter beschikking staat. [JG 1a, 1b; N 8, 50b]
I-9
|
| 25025 |
fonkelen, flonkeren |
flonkeren:
flônkere (L331p Swalmen),
glinsteren:
glinstere (L331p Swalmen)
|
levendig, maar niet onrustig stralen of glanzen, warm schitteren [sprietelen, fonkelen, flonkeren] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21559 |
fooi |
drinkgeld:
drinkgeldj (L331p Swalmen),
fooi:
fooj (L331p Swalmen)
|
de gift in geld aan iemand die een dienst verleend heeft (vanwege zijn beroep) [fooi, pree, drinkgeld] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 20143 |
fopspeen |
stop:
sjtop (L331p Swalmen)
|
fopspeen; hoe heet in uw dialect de fopspeen die men kleine kinderen in de mond stopt om ze stil te krijgen [DC 43 (1968)]
III-2-2
|
| 34119 |
forsgebouwde koe |
stukkige koe:
štø̜kegǝ ku (L331p Swalmen)
|
[N 3A, 141a]
I-11
|