| 17614 |
neusgaten |
neusgaten:
naasgater (L378p Stevensweert)
|
neus: neusgaten [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17613 |
neusvleugel |
neusvleugel:
naasvleujgel (L378p Stevensweert)
|
neusvleugel [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 20482 |
nicht |
nicht:
nicht (L378p Stevensweert, ...
L378p Stevensweert)
|
nicht; Bestaan er verschillende woorden voor de verschillende soorten van nichten (kinderen van ooms en tantes, kinderen van broers en zusters, achternichten?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 17698 |
nier |
niertje:
neerke (L378p Stevensweert)
|
nier [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18094 |
niersteen |
niersteen:
neerstein (L378p Stevensweert)
|
Nier-, gal- en blaassteen: steenachtige zelfstandigheid in galblaas, nieren of blaas (steen, graveel, graveelsteen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24716 |
niet gedijen |
niet aarden:
NCDN
áárt neet (L378p Stevensweert),
niet groeien:
NCDN
neet greujö (L378p Stevensweert)
|
Niet goed groeien, gezegd van planten (niet tieren, niet aarden). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33447 |
niet gehalveerde poortvleugel |
slag:
šlāx (L378p Stevensweert)
|
Een scharnierende poort bestaat meestal uit twee vertikaal verdeelde planken helften of vleugels. Bedoeld wordt een poortvleugel die niet zelf nog eens gehalveerd is. Zie voor dit laatste het lemma "gehalveerde poortvleugel" (4.1.7). Zie voor de fonetische documentatie van het woord (poort) het lemma "poort" (4.1.1). Zie ook afbeelding 18.c bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 42a; monogr.]
I-6
|
| 25172 |
nieuwe maan |
donkere maan:
donkere moan (L378p Stevensweert),
nieuwe maan:
nuu maon (L378p Stevensweert)
|
maan [donkere ~] [SGV (1914)] || schijngestalte van de maan: nieuwe maan [donkere maan] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 19052 |
nieuws |
nieuws:
nuuts (L378p Stevensweert)
|
nieuws [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 19010 |
nieuwsgierig |
nieuwsgierig:
nuusjeirig (L378p Stevensweert),
Opm. sisklank.
nuuschéĕrig (L378p Stevensweert)
|
nieuwsgierig [SGV (1914)] || nieuwsgierig, benieuwd: die vrouw is erg - [DC 16 (1948)]
III-1-4
|