| 25084 |
roesten |
roesten:
roste (Q032p Schinnen)
|
roesten [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 21363 |
roezemoezen |
fluisteren:
Van Dale: fluisteren, 1. zacht, nauwelijks hoorbaar spreken, nl. zo dat de stembanden niet trillen; - 2. bedektelijk zeggen, vertellen...
fluusteren (Q032p Schinnen),
piezewieten:
[klanknabootsing volgens hetzelfde principe als roezemoezen]
pizjewitte (Q032p Schinnen)
|
druk praten en fluisteren, gezegd van een groep mensen, roezemoezen [tipselen, strisselen, lispelen] [N 87 (1981)] || roezemoezen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 32976 |
rogge |
rog(ge):
rø̜gǝ (Q032p Schinnen)
|
Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 18284 |
rok: algemeen |
rok:
rok (Q032p Schinnen)
|
rok [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 18567 |
rokkostuum |
rokkostuum:
rokkəstuum (Q032p Schinnen)
|
het rok-costuum [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 32834 |
rollen |
wellen:
wɛlǝ (Q032p Schinnen)
|
Het land bewerken met de rol, met de rol over het land gaan. In dit lemma zijn ook enige termen ondergebracht, die het rollen met een bepaald doel, resp. een tweetal manieren van rollen naar de richting betreffen. Voor het (...)-gedeelte van de varianten daarvan zij verwezen naar het simplex wellen aan het be-gin. [JG 1a + 1b; N 11, 87; N 11A, 187a + b + c + 189a; N P, 20 add.; monogr.]
I-2
|
| 22443 |
rommelpot |
foekepot:
foekepot (Q032p Schinnen),
robbelspot:
roebelspot (Q032p Schinnen),
rommelspot:
rommelspot (Q032p Schinnen)
|
De pot die met een (varkens)blaas is overspannen; door het midden ervan is een rietje gestoken dat men vochtig maakt en op en neer beweegt, wat de blaas in trilling brengt [rommelpot, hoeperpot, foeperpot, foekepot]. [N 88 (1982)] || foekepot [VC 27 (1962)]
III-3-2
|
| 23851 |
rondtrekken van de processie |
bronken:
brónke (Q032p Schinnen),
rondtrekken:
de processie trèkt voonjd (Q032p Schinnen)
|
Het rondtrekken van de processie [brónke]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 18043 |
roodvonk |
roodvonk:
roadvoonk (Q032p Schinnen),
rooedvonk (Q032p Schinnen)
|
Roodvonk: epidemische, zeer besmettelijke ziekte waarbij het lichaam overdekt wordt met rode vlekken (roodjong, plan, St. Antonisvuur). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18048 |
roof(je) (korst op een wonde) |
korst(je):
koorsch (Q032p Schinnen),
roof(je):
rauf (Q032p Schinnen)
|
Een roofje (korstje) op een wond. [DC 14 (1946)] || roof, korst [SGV (1914)]
III-1-2
|