| 19315 |
slordig |
ruw:
rōē (L299p Reuver),
slordig:
sjlordig (L299p Reuver)
|
onachtzaam of onordelijk in zijn werk of in zijn geheugen [lod, hordsig, slordig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 29019 |
slordig, verkeerd naaien |
broddelen:
brodǝlǝ (L299p Reuver)
|
[N 62, 25; MW]
II-7
|
| 19894 |
slot |
slot:
šlǭt (L299p Reuver)
|
Toestel dat als sluiting op deuren wordt aangebracht, waarbij door middel van een sleutel een schoot of tong wordt uitgeschoven die in een gat in de stijl van het kozijn valt. [N 54, 94b; L 6, 73a; S 33; monogr.]
II-9
|
| 17836 |
sluimeren |
motsen:
moetse (L299p Reuver),
moetsə (L299p Reuver)
|
Slaperig: geneigd zijn tot slapen (slaperig, dommelig, dwaas, vaakluis). [N 84 (1981)] || sluimeren [drooze, knikkebolle] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17933 |
sluipen |
kruipen:
krōēpə (L299p Reuver),
sluipen:
sjloepe (L299p Reuver),
sjlūūpə (L299p Reuver)
|
Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, slippen, gluipen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21174 |
sluis |
sluis:
sjlōēs (L299p Reuver)
|
de inrichting waardoor twee wateren naar believen gescheiden of met elkaar in verbinding gebracht kunnen worden (sluis, erk, sas) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21176 |
sluismeester |
sluiswachter:
sjlōēswachter (L299p Reuver)
|
de persoon die belast is met het toezicht op en het gebruik van een sluis, vooral van schutsluizen (sasmeester, sluismeester, sasser, sassenier) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24943 |
sluiten (van grond) |
hel worden:
hel waere (L299p Reuver)
|
hard worden, gezegd van aarde [vervloeren, sluiten] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 18542 |
sluitklep |
klep:
klep (L299p Reuver),
klép (L299p Reuver)
|
deze klep (klep, presenteer blad) [N 59 (1973)] || klep van een broek met sluitklep aan de voorkant [bokseslaag, presenteerblad] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 20168 |
sluitspeld |
sluitspeld:
sjloetsjpeld (L299p Reuver),
toespeld:
tōēsjpélt (L299p Reuver)
|
sluitspeld; speld waarvan de punt wordt vastgezet in een dopje of haakje zodat men zich daaraan niet kan bezeren, voor de luier [toespeld, knipspeld, bakelspeld] [N 86 (1981)]
III-2-2
|