| 19919 |
schoffel |
schoffel:
šufǝl (L299p Reuver)
|
Gereedschap om onkruid af te snijden en om de grond los te maken. Het bestaat uit een soort mes dat met behulp van een lange steel door de grond geschoven wordt. [N 18, 18a en 48; JG 1a, 1b; A 47, 11a; monogr.; add. uit N 15, 6; N 18, 4 en 50; GV, K7]
I-5
|
| 33302 |
schoffelen, wieden met de schoffel |
schoffelen:
šufǝlǝ(n) (L299p Reuver)
|
Met een schoffel de bovengrond tussen de plant(rijen) van een gewas zodanig bewerken dat de korstige bovenlaag verkruimeld en het onkruid afgestoken wordt. Het woord schoffelen kan niet alleen in absolute zin gebruikt worden, maar laat zich ook verbinden met een object. Dat kan de te bewerken grond zijn (akker, tuin, enz.) maar ook het te verzorgen gewas dat op die grond staat (bijv. de bieten), en ook het onkruid. [N 15, 6; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit A 47, 11a]
I-5
|
| 24902 |
schoft, kwart van een werkdag |
poos:
poes (L299p Reuver)
|
een vierde deel van een werkdag [schoft, schof, poos] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 17964 |
schokschouderen |
de schouders ophalen:
de sjouwers ophaole (L299p Reuver),
schokschouderen:
sjŏksjouweren (L299p Reuver)
|
schokschouderen [SGV (1914)] || schouders ophalen [schokschoere] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20649 |
schol |
schol:
sjol (L299p Reuver),
WLD
sjol (L299p Reuver)
|
Hoe noemt u de schol: een platvis die tot 70cm lang kan worden. Hij heeft een rij benige uitsteeksels tussen het oog en de nabije borstvin. Op het lichaam komen mooie oranje vlekken op een grijsbruine ondergrond voor (plaat, pladijs, schol, schar) [N 83 (1981)]
III-2-3
|
| 22371 |
schommel |
schommel:
sjommel (L299p Reuver),
sjoməl (L299p Reuver),
sjŏŏmmel (L299p Reuver)
|
Het speeltuig bestaande uit een tussen twee neerhangende touwen bevestigde plank, waarop men door zich af te zetten heen en weer zweeft [schommel, touter, stuur, rui, boeis]. [N 88 (1982)] || schommel [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 22372 |
schommelen |
schommelen:
sjommele (L299p Reuver),
sjomələ (L299p Reuver)
|
Zich op een schommel heen en weer bewegen [ruien, touteren, sturen, knijen, koggen, boeizen, rijtakken, rijrepen, toetouteren, takkenijen, hoeierzen, beizen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21425 |
schoolcijfer |
punt:
punte (L299p Reuver)
|
cijfer; Op een schoolrapport krijgt men voor verschillende vakken (een) .... [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 21427 |
schoolhoofd |
bovenmeester:
baovemeister (L299p Reuver),
hoofd:
hoofd (L299p Reuver)
|
het hoofd van een lagere school [bovenmeester, bovenkoster] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21366 |
schoolopziener |
schoolopziener:
sjeolopzeener (L299p Reuver)
|
schoolopziener [SGV (1914)]
III-3-1
|