| 20547 |
olie |
olie:
aolie (L299p Reuver),
ōəli (L299p Reuver),
sla-olie:
sjlaolie (L299p Reuver)
|
olie [SGV (1914)] || olie; Hoe noemt U: De vette vloeistof die b.v. gebruikt wordt bij het aanmaken van sla of het braden van vlees (smout, olie) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20701 |
oliebol |
oliebol:
Nieuwe [spelling]
aolieböl (L299p Reuver)
|
Oliebol (nonnevot?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 31314 |
oliegroefbeitel, spiebeitel |
groefbeitel:
gruf˱bęjtǝl (L299p Reuver)
|
Beitel waarmee een ronde groef, bijvoorbeeld een oliegroef of spiebaan in metaal kan worden aangebracht. De oliegroefbeitel lijkt op de ritsbeitel maar heeft een halfronde snede en is meestal licht gebogen. De kromme ritsbeitel (Q 111) werd gebruikt op plaatsen waar men met de rechte ritsbeitel niet bij kon. [N 33, 120; N 33, 111]
II-11
|
| 20759 |
oliekoek |
oliekoek:
Nieuwe [spelling]
aoliekook (L299p Reuver)
|
In raapolie gebakken ronde koek van meel, krenten en eieren (oliekoek?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19546 |
olielamp |
lemmet:
lēmǝt (L299p Reuver
[(brandde op een lint)]
),
pad:
mv. pedde
pɛt (L299p Reuver),
pit:
pɛt (L299p Reuver
[(van gegoten ijzer)]
)
|
De olielamp die tijdens het inzetten in de oven werd geplaatst. [monogr.] || ouderwetse olielamp
II-8, III-2-1
|
| 30614 |
olieverf |
olieverf:
ǭli[verf] (L299p Reuver)
|
Verf waarvan het bindmiddel bestaat uit een drogende olie als lijnolie of papaverolie. Olieverf wordt bereid door verfstof met een tempermes op een wrijfsteen in de olie te wrijven of door olie en verfstof na menging te malen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(verf)' het lemma 'Verf'. [S 26; N 67, 23b; monogr.; div.]
II-9
|
| 17916 |
omarmen |
omarmen:
omerme (L299p Reuver),
omspannen:
ômsjpannə (L299p Reuver)
|
omvatten, Met gestrekte armen ~ (vademen, omvademen, spannen, omarmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 29086 |
omboorden |
afboorden:
āfbø̜rǝ (L299p Reuver),
zomen:
zø̜jmǝ (L299p Reuver)
|
Omboorden in het algemeen oftewel het insluiten van een rafelkant met een enkele of dubbele bies en in het bijzonder het met en lint afzetten van een colbert. [N 59, 86; N 62, 17; MW]
II-7
|
| 33664 |
omheinde wei |
afgemaakte wei:
āfgǝmāktǝ węi̯ (L299p Reuver)
|
Een met prikkeldraad of anderszins afgemaakte wei. Een groot aantal opgaven was wei. Deze opgaven zijn in dit lemma niet gedocumenteerd. Voor de fonetische documentatie van wei zie men lemma 1.3.6 ɛweiɛ.' [N M, 4b; L 32, 45; monogr.]
I-8
|
| 19711 |
omheining |
hek:
hèk (L299p Reuver)
|
hek [SGV (1914)]
III-2-1
|