| 19535 |
lemmer |
lemmet:
leemet (L299p Reuver)
|
snijblad van een mes (lemmer, lemmet) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 17643 |
lende |
lende:
linje (L299p Reuver),
linjen (L299p Reuver)
|
lendenen [SGV (1914)] || lendenen [lenge, leene, leende] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25627 |
leng |
leng:
leŋ (L299p Reuver)
|
Leng is een ziekte in het brood veroorzaakt door de "lengbacil". De leng openbaart zich allereerst door een onaangename zoete geur tezamen met een verkleuring en kleverig worden van de kruim van het brood (Schoep blz. 117). Werkt de leng door dan wordt de verkleuring groter, de kruim wordt kleveriger en de geur wordt zeer onaaangenaam. Breekt men het brood door, dan ziet men bruine kleverige draden tussen de afgebroken delen. Het brood is dan niet voor consumptie geschikt. Bij normale omstandigheden van vocht en temperatuur kan de leng-bacil zich niet ontwikkelen. In de zomermaanden is het ontstaan van leng het meest voor de hand liggend. Zo snel mogelijke afkoeling van het brood en het bewaren op een koele luchtige plaats bestrijdt doelmatig het euvel van de leng (Schoep blz. 147). Het lemma bestaat uit verschillende grammaticale categorieën. [N 29, 72; N 29, 68a; monogr.]
II-1
|
| 28934 |
lengte |
lengte:
leŋtǝ (L299p Reuver)
|
Benaming voor een verticaal genomen maat, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als broeklengte, of voor een horizontaal genomen maat voor een verticaal deel van het kledingstuk, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als mouwlengte. [N 59, 47a, N 62, 2b]
II-7
|
| 31986 |
lengtedoorsnede |
doorsnede:
dōršnēj (L299p Reuver)
|
Een getekende, verticale doorsnede van een werkstuk, bijvoorbeeld van een meubel. [N 53, 205e]
II-12
|
| 17558 |
lenig |
gezwank:
gesjwank (L299p Reuver, ...
L299p Reuver)
|
Gebruikt men bij u een woord als zwak in de zin van lenig, buigzaam? Zo ja, hoe is dan de uitspraak? [DC 43 (1968)] || lenig [zwak, gezwak] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24895 |
lente, voorjaar |
lente:
lente (L299p Reuver),
līntje (L299p Reuver),
voorjaar:
Opm. v.d. invuller: zo wordt het ook wel genoemd.
veurjaor (L299p Reuver)
|
lente [DC 39 (1965)], [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19553 |
lepel |
lepel:
laepel (L299p Reuver),
lēͅpəl (L299p Reuver)
|
lepel || lepel in het algemeen (lepel, lippel, leeper) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 31924 |
lepelboor |
lepelboor:
lē̜pǝlbǭr (L299p Reuver)
|
Boorijzer voor hout met een lepelvormig uiteinde. Het snijvlak van de boor is half bolvormig. Zie ook afb. 74b. De lepelboor wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De wagenmaker boort er onder meer de voorgeboorde naven van karwielen verder mee uit zodat daar vervolgens de naafbus in geplaatst kan worden. [N 33, 329; N 53, 162a; N G, 31c; monogr.]
II-12
|
| 19556 |
lepelrek |
lepelrekje:
laepelrekske (L299p Reuver)
|
rekje aan de wand waarin lepels worden bewaard [N 20 (zj)]
III-2-1
|