| 28709 |
kleermaker |
kleer-/kledermaker:
klęjǝrmēkǝr (L299p Reuver),
snijder:
šnīdǝr (L299p Reuver)
|
Algemene benaming voor persoon die kleren maakt. [N 59, 197a; L 1a-m; L 28, 2; S 18; monogr.]
II-7
|
| 28715 |
kleermakersbedrijf |
kledermakerij:
klęjǝrmākǝri (L299p Reuver),
snijderij:
šnīdǝri (L299p Reuver)
|
Algemene benaming voor het kleermakersbedrijf. [N 59, 202b; monogr.]
II-7
|
| 28921 |
kleermakersborstel |
klopborstel:
klopborsǝl (L299p Reuver),
persborstel:
pɛrsborsǝl (L299p Reuver)
|
Borstel, meestal van paardenhaar, waarmee men bij het persen de wolvezels in de goede richting schuiert. In het algemeen borstelt men hiermee stof en kleren schoon. Zie afb. 20. [N 59, 32]
II-7
|
| 28872 |
kleermakerskrijt |
snijderskrijt:
šnīdǝrskrīt (L299p Reuver)
|
Het kleermakerskrijt wordt gebruikt om patronen op de stof over te nemen. Deze krijtlijnen verwijdert men later weer. Het krijt is vier- of driehoekig van vorm (Gerritse, pag. 21) en voelt vettig aan (Papenhuyzen III, pag. 9). Men kan ook met behulp van een zogenaamde rokkenspuit een lijn trekken. Door verstuiven van krijtpoeder kan men hiermee een lijn op de rok trekken om een rechte zoom te krijgen op de juiste hoogte. Zie afb. 6 en 7. [N 59, 5; N 62, 66; monogr.]
II-7
|
| 28714 |
kleermakersvak |
kledermakersvak:
klęjǝrmākǝrsfak (L299p Reuver),
snijdersvak:
šnīdǝrsfak (L299p Reuver)
|
De algemene benaming voor het vak van kleermaker. [N 59, 202a; monogr.]
II-7
|
| 28965 |
kleermakerszit |
met de benen op tafel:
met dǝ bęjn op tǭfǝl (L299p Reuver),
snijderszit:
šnīdǝrszet (L299p Reuver),
turkse zit:
tørksǝ zet (L299p Reuver)
|
Wijze van zitten van de kleermaker op de kleermakerstafel, met gekruiste benen. Zie afb. 30. [N 59, 199; monogr.]
II-7
|
| 20609 |
klef |
knetserig:
knetsjerig (L299p Reuver)
|
doorbakken; Hoe noemt U: Zwaar gebakken, gezegd van brood (derf, klut, klei, knoef, kluit) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29432 |
klei delven |
klei steken:
klęj štē̜kǝ (L299p Reuver)
|
Vroeger werd de gestoken klei in de put bereid; toen de kleiputten verder van de fabriek af kwamen te liggen, moest de grondstof op karren worden geladen voor het vervoer naar de opslagplaats. Meestal heeft men één term voor beide handelingen, zo niet, dan wordt de andere in het lemma erbij gegeven. In L 270 moest de klei v√≥√≥r het gebruik van excavateurs in de kleigroeven soms trapsgewijs vanuit de kleiput met een schop naar boven worden gegooid, tot deze uiteindelijk op de begane grond terecht kwam. Op elk van de daarvoor gebruikte horizontale vlakken lag een houten vlonder, waarop een werkman stond. De arbeider in de kleiput gooide de kleikluiten op het eerste vlak; van hier werden ze op het tweede vlak gegooid en zo verder. Men noemde dit: ɛop het schavot werkenɛ (Tegels Dialek, pag. 113).' [N 98, 27; N 98, 30; monogr.]
II-8
|
| 29856 |
klei malen |
klei malen:
klęj mālǝ (L299p Reuver)
|
[monogr.]
II-8
|
| 29862 |
klei uitdragen |
stompen dragen:
štømp drāgǝ (L299p Reuver)
|
De gemalen klei van de molen naar het kleihuisje vervoeren. Het wagentje waarmee de klei van de molen naar het kleihuisje en van daar naar de persbank werd getransporteerd, noemde men in L 270 aardewageltje (ē̜rtwē̜g\lk\). [monogr.]
II-8
|