| 29010 |
plooi |
plooi:
plōj (L355p Peer)
|
Elk van de rimpels of golfachtige vormen die in een weefsel ontstaan, wanneer zij op korte afstanden in tegengestelde richting omgeslagen worden. Zie voor diverse soorten plooien afb. 45. [N 62, 12c; N 62, 12b; L 40, 50; Gi 1.IV, 35; MW; monogr.]
II-7
|
| 21078 |
poffen |
poffen:
ps. omgespeld volgens Frings.
poͅfə (L355p Peer)
|
afbetaling, Op ~, op de pof kopen [poffen?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 18052 |
pokdalig |
pokken:
pokken (L355p Peer)
|
pokken: Door pokken geschonden, gezegd van de huid (mottig, pokkelig). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 19418 |
poken |
keuteren:
keteren (L355p Peer)
|
in de kachel poken [ZND 40 (1942)]
III-2-1
|
| 21569 |
politie |
gendarmen (<fr.):
de gendermen hemmen h’m aangehaën (L355p Peer),
politie (< lat.):
de pelitie heet em oangehaan (L355p Peer),
de politie heet hem aangehaân (L355p Peer)
|
De politie heeft hem aangehouden. [ZND 33 (1940)]
III-3-1
|
| 21437 |
politieagent |
bode:
bōi (L355p Peer),
police (fr.):
de polies (L355p Peer)
|
Hoe heet << een politieagent >> ? [ZND 40 (1942)] || Politieagent. [ZND 05 (1924)]
III-3-1
|
| 19482 |
pollepel |
pollepel:
poͅlepəl (L355p Peer),
potlepel:
poͅtlepəl (L355p Peer),
poͅtlēpəl (L355p Peer)
|
lepel; inventarisatie schertsende benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || pollepel [ZND 04 (1924)]
III-2-1
|
| 17657 |
pols |
pols:
B.v. De pols stiejet just boven het handgewricht.
pols (L355p Peer)
|
Een pols: plaats boven het handgewricht [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 18292 |
polsmof |
mof:
mof (L355p Peer),
mouwtje:
mouke (L355p Peer)
|
een polsmof - korte, gebreide stukken, die over de voorarm worden aangetrokken tegen de koude [ZND 34 (1940)]
III-1-3
|
| 33807 |
pommelee, appelschimmel |
pommelee:
pomǝ`lē (L355p Peer)
|
Paard met ronde, glanzende plekken in de vorm van appels in het haarkleed, van binnen wit en van buiten zwart. De afwisseling van zwarte en witte haren vormt een cirkelvormig patroon, vooral op de schouders en het kruis. [JG 1a, 1b; N 8, 63c, 63d en 63e]
I-9
|