| 17946 |
met grote stappen lopen |
grote schreden pakken:
sommige minse} pakke groewethe schreehjen (L355p Peer),
lopen gelijk een hert:
ze loewehpen gelijk `n hert (L355p Peer)
|
Grote stappen maken (greien, schrijden, treden, stappen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 26213 |
met halve zeilen |
op half:
op half (L355p Peer)
|
Gezegd van een molen wanneer hij draait met de zeilen voor de helft opgerold. Zie ook afb. 44B. [N O, 7i; A 42A, add.; A 42A, 74 add.; N O, 5i; N O, 5h; N O, 7h]
II-3
|
| 34140 |
met opgeheven staart rondlopen |
biezen:
bezǝ (L355p Peer),
bezǝn (L355p Peer)
|
[N 3A, 9a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 34003 |
met paard en kar rijden |
varen:
vā.rǝn (L355p Peer)
|
[JG 1b, 2c; N 8, 100; Wi 33; monogr.]
I-10
|
| 34004 |
met paard en koets rijden, paardrijden |
rijden:
ręi̯ǝ.n (L355p Peer)
|
Het paard besturen als het voor de koets gespannen is, of als het als rijdier gebruikt wordt. Deze twee begrippen worden terminologisch niet onderscheiden. [JG 1a, 1b; Wi 29; monogr.]
I-10
|
| 34011 |
met staande kar varen |
met de staande kar varen:
męt ˲dǝ stūǝndǝ kār vā.rǝn (L355p Peer),
met de wisselkar varen:
męt ˲dǝ wesǝlkār vā.rǝn (L355p Peer)
|
Met één paard en twee of drie karren rijden. Als men met twee karren rijdt, haalt het paard met de ene kar een lading bij, terwijl de tweede kar ontladen wordt. Als men met drie karren rijdt, is men, terwijl het paard met een eerste kar onderweg is, op de ene plaats een tweede kar aan het laden en op de andere een derde aan het ontladen. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 33689 |
met steengruis verharde weg |
grindweg:
grindweg (L355p Peer),
kiezel:
kizǝl (L355p Peer),
kiezelpaadje:
kizǝlpękǝ (L355p Peer),
kiezelweg:
kizǝlwēx (L355p Peer)
|
In vraag L 24, 28b werd uitdrukkelijk gevraagd naar een naam voor de weg die met steengruis was bedekt. De woordtypen koolassenweg, assenweg e.a. wijzen op een andere bedekking dan steengruis. Macadam is een recentere vorm van een wegdeklaag. [L 24, 28b]
I-8
|
| 22793 |
met vuur spelen |
met vuur spelen:
met vier spelen is geveurlijk (L355p Peer)
|
Met vuur spelen is gevaarlijk. [ZND 37 (1941)]
III-3-2
|
| 34369 |
metalen scheplepel |
doeslepel:
duslepǝl (L355p Peer)
|
Lepel van metaal om varkensvoer mee op te scheppen. [N 18, 132; monogr.]
I-12
|
| 29920 |
metselaar |
metser:
mɛ ̝tsǝr (L355p Peer)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|