| 22351 |
krijgertje spelen |
lets doen:
lets doen (L355p Peer),
lets jagen:
letsjagen (L355p Peer),
vangertje spelen:
/
vangerke (L355p Peer),
zakdoek leggen (?)
vangerke (L355p Peer)
|
tikkertje [SND (2006)] || Ze spelen krijgertje, ... katje enz.: het kinderspel waarbij een kind de andere naloopt en ze tracht te raken. [ZND 36 (1941)]
III-3-2
|
| 21501 |
krijt |
krijt:
e stik wit krijt (L355p Peer),
’n stik wit krijt (L355p Peer)
|
Een stuk wit krijt. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 17861 |
krioelen |
krioelen:
het krioelt vanne vliegen oppe boerderijen (L355p Peer)
|
Krioelen: zich in alle richtingen dooreen bewegen (krioelen, kriemelen, wriemelen, friemelen, wemelen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 18071 |
kroep |
kroep:
krop (L355p Peer)
|
Kroep: ontsteking van het strottehoofd en de luchtpijp die door afzettingen op het slijmvlies gevaar van verstikking met zich meebrengt (kroep, krop, pip). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 17579 |
kroeshaar |
kroezelhaar:
kroezelhoar (L355p Peer)
|
Kroeshaar (kroezelen, kroezelhaar). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 20120 |
krols |
lopig:
līpex (L355p Peer)
|
loops, geslachtsdriftig ve kat [N 19 (1963)]
III-2-1
|
| 17894 |
krommen, ombuigen |
buigen:
iets dak kromp is, heet ne gebogen vorm (L355p Peer),
plooien:
plooien en buigen diejet ne mins z’n hieje leven lang (L355p Peer)
|
Krommen: een kromme gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien, krom maken) [N 108 (2001)] || Ombuigen: een andere richting geven (ombuigen, (om)plooien) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 23381 |
kroonluchter |
kroonluchter:
kroeenluchter (L355p Peer)
|
Een veelarmige lamp in de kerk, luchter, kroonluchter. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 26454 |
kropgat |
kropgat:
krǫp˲gāt (L355p Peer),
steengat:
stingāt (L355p Peer)
|
Het gat dat zich midden in de loper bevindt en waarin het te malen graan loopt. Kweern in het woordtype kweernoog (l 331) verwijst naar de in die plaats gebruikelijke term voor de handmolen. Zie het lemma ɛhandmolenɛ.' [N O, 18o; A 42A, 35; N D, 8; Sche 53; Vds 129; Jan 128; Coe 93; Grof 119; N O, 18h]
II-3
|
| 26077 |
kruias, kruirad |
haspel:
haspǝl (L355p Peer)
|
Het wiel of de as onderaan de staart aan de buitenzijde van de molen, waarmee de molen of de molenkap met behulp van kettingen of touwen naar de wind gedraaid wordt. Zie ook afb. 21 en 23. Een aantal woordtypen is een pars pro toto. [N O, 30a; A 42A, 58; monogr.]
II-3
|