| 21081 |
sabbelen |
sabbelen:
sabbele (L290p Panningen),
zoebelen:
zoebele (L290p Panningen)
|
sabbelen, bijv. op een grassprietje [sebbele, zabbere, zeewere] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 24372 |
salamander |
salamander:
sallemander (L290p Panningen)
|
salamander [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 21105 |
salie |
salie:
salie (L290p Panningen)
|
Hoe noemt men bij u de afgebeelde plant? Het is een heesterachtige plant van ca. 60 cm hoog met tamelijk lange, wat kreukelige bladeren met gekartelde randen. Zij staan tegenover elkaar en zijn grijsgroen van kleur. De bloempjes zijn blauw-wit (soms ook r [DC 49 (1974)]
III-2-3
|
| 19572 |
sauslepel |
sauslepel:
sausleepel (L290p Panningen)
|
lepel, metalen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21025 |
savooiekool |
savooi:
sevóie (L290p Panningen),
savooiemoes:
sevóië moos (L290p Panningen)
|
[N Q (1966)]savooie kool als gerecht [N Q (1966)]
I-7, III-2-3
|
| 23230 |
scapulier |
scapulier:
en sjappelier (L290p Panningen),
enne sjabbelee:r (L290p Panningen),
enne sjabbelīr (L290p Panningen),
schableer (L290p Panningen)
|
Scapulier (schouderkleed) [skabbeleer]. [N 07 (1961)]
III-3-3
|
| 31806 |
schaaf |
schaaf:
šāf (L290p Panningen)
|
Werktuig, bestaande uit een houten blok waarin een beitel in schuine stand zodanig is bevestigd, dat het snijvlak ervan aan de onderzijde enigszins uitsteekt. De schaaf wordt gebruikt om hout vlak te maken of om er een bepaalde vorm aan te geven. [N 53, 53; S 30; monogr.]
II-12
|
| 31369 |
schaafbank, schaafmachine |
schaafmachine:
šāfmǝšin (L290p Panningen)
|
De werkbank of machine voor het schaven van metaal. Schaafbanken werden door de smid gebruikt bij het bewerken van platte vlakken van middelmatige breedte en lengte (Kuyper, pag. 297). Grotere voorwerpen werden vooral met behulp van een schaafmachine bewerkt. Dit werktuig was volgens verschillende respondenten niet typisch voor een smederij; het werd vooral aangetroffen in fabrieken om machinedelen zuiver vlak te schaven. [N 33, 287; N 33, 348]
II-11
|
| 32270 |
schaafbank, voegbank |
voegblok:
v ̇ōx˱blǫk (L290p Panningen)
|
Zware, houten balk, waarin één of twee opwaarts gerichte schaafbeitels zijn aangebracht. De schaafbank steunt aan één zijde op twee poten; de andere zijde rust op de grond. Op de schaafbank krijgt de duig zijn definitieve vorm. [N E, 18; N E, 19a; N 53, 83; A 32, add.]
II-12
|
| 32294 |
schaafmes voor de binnenrand |
blaaimes:
blāmɛts (L290p Panningen),
kanttrekker:
kanttrekker (L290p Panningen)
|
Een mes met een verhoudingsgewijs klein, gebogen blad en twee handvatten dat wordt gebruikt voor het vlakmaken van de binnenrand van een vat. Zie ook afb. 220 en het volgende lemma. [N E, 35c; N E, 36; A 32, 4; monogr.]
II-12
|