| 19505 |
kastplank |
schap:
šāp (L290p Panningen)
|
plank in een kast [DC 16 (1948)]
III-2-1
|
| 19826 |
kat |
kat:
kat (L290p Panningen)
|
kat [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 22311 |
katapult |
katapult:
kattepult (L290p Panningen)
|
Hoe noemt men het speeltuig, bestaande uit een gevorkt takje, aan de uiteinden waarvan een elastiekje is vastgemaakt en waarmee jongens steentjeswegschieten? [DC 23 (1953)]
III-3-2
|
| 23213 |
katholiek |
katholiek (<fr.):
katteliek (L290p Panningen)
|
katholiek [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 28768 |
katoen |
katoen:
kǝtūn (L290p Panningen)
|
Uit katoendraden geweven stof. Leverancier van de katoendraad is een kruid-, struik- of boomachtige plant ø̄voor het grootste deel verbouwd in Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Egypte (macco of mako), Oost-Indië, China, Ethiopië en Ruslandø̄ (Bonthond, s.v. ø̄katoenø̄). [N 62, 85; N 62, 77; N 62, 75c; N 59, 201; MW; L 1a-m; L 27, 73; L 41, 40a; S 17; monogr.]
II-7
|
| 33453 |
kattegat |
kattegat:
katǝgā.t (L290p Panningen)
|
Een al dan niet afgeschermde opening onder in de schuurpoort die katten in staat stelt om de schuur in te gaan om muizen en ratten te vangen. Blijkbaar wordt deze opening ook door kippen gebruikt. [N 4A, 42i; monogr.]
I-6
|
| 24179 |
kauw |
hannik:
roepnaam
hannik (L290p Panningen),
kauwtje:
kauw(ke) (L290p Panningen),
kauwke (L290p Panningen),
roepnaam: hannik
kauwke (L290p Panningen)
|
Hoe heet de kauw? [DC 06 (1938)] || kauw || kauw (33 overal bekend; grijze nek en lichte ogen, rest zwart; broedt in gebouwen, schoorstenen en holle bomen; meestal in troepen; druk; roep [kja]; vaak tam gehouden [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33781 |
keel |
strot:
štrōt (L290p Panningen)
|
Zie afbeelding 2.16. [JG 1a, 1b; N 8, 29]
I-9
|
| 17628 |
keel, strot |
strot:
sjtrōōt (L290p Panningen)
|
strot [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17686 |
keelgat |
keelgat:
keelgaat (L290p Panningen),
keelsgat:
kéélsgaat (L290p Panningen),
strot:
sjraot (L290p Panningen),
sjtrêût (L290p Panningen)
|
keelgat [kelschat, rieper] [N 10 (1961)]
III-1-1
|