| 29778 |
kamers |
kromme kamer:
krom kāmǝr (L290p Panningen)
|
De ruimtes die met behulp van de schuiven in de stookgang worden gecrëerd. De hoeveelheid kamers van een ringoven wordt bepaald door het aantal poorten in de buitenmuur. In de kamers worden de te bakken stenen geplaatst. In Q 83 bevatte één kamer ongeveer 28.000 stenen. [N 98, 128; N 98, 150; monogr.]
II-8
|
| 24509 |
kamille (alg.) |
dapert:
Hier kennen ze alleen -. Matricaria L. of Anthemis L.
dapert (L290p Panningen),
Matricaria L. of Anthemis L.
dapert (L290p Panningen),
Matricaria L. of Anthemis L. o.g.v. vraag 004.
dapert (L290p Panningen)
|
kamille [DC 50 (1975)], [DC 50 (1975)], [DC 50 (1975)]
III-4-3
|
| 18724 |
kammen |
kammen:
keime (L290p Panningen),
toen ich ⁄t wol keimen ging miene kamp kepot (L290p Panningen)
|
kammen (ww.) [SGV (1914)] || Kammen. Toen ik ’t wou kammen ging mijn kam stuk. [DC 39 (1965)]
III-1-3
|
| 19109 |
kans |
kans:
kans (L290p Panningen)
|
kans: Als hij - ziet zal hij proberen je te bedriegen [DC 35 (1963)]
III-1-4
|
| 30232 |
kantelaaf |
dagkant:
dāxkaŋk (L290p Panningen)
|
De dagzijde van een muuropening, voor zover die vóór een kozijn in het zicht komt. De breedte van de kantelaaf is afhankelijk van de dikte van de muur en de breedte van het kozijnhout. [N 32, 11e; N 55, 149a; monogr.]
II-9
|
| 31171 |
kanthout |
kanthoutje:
kaŋkthø̜ltjǝ (L290p Panningen),
refelhoutje:
ręjfǝlhø̜ltjǝ (L290p Panningen)
|
Het langwerpig stuk hout, met inkepingen aan beide uiteinden, gebruikt om een siernaad aan te brengen langs de kant van het leer. Zie afb. 78. [N 36, 34; N 36, 33; N 36, 32; Li 1963, 34]
II-10
|
| 31327 |
kantklauw |
kantenklauw:
kaŋktǝklǫw (L290p Panningen)
|
Soort tang met schuin geplaatste bekken waarin men het werkstuk in een scheve stand in de bankschroef kan vastklemmen om er op deze wijze schuine kantvlakken aan te kunnen vijlen. Zie ook afb. 61. [N 33, 172; N 64, 50a]
II-11
|
| 29973 |
kantplank |
stormplank:
štǫrǝmplaŋk (L290p Panningen),
valplank:
valplaŋk (L290p Panningen),
voetplank:
vōtplaŋk (L290p Panningen)
|
Aan de staanders bevestigde, opstaande plank die moet voorkomen dat er materiaal van de steigervloer naar beneden valt. Zie ook afb. 18. [N 32, 3d; monogr.]
II-9
|
| 31162 |
kantschaaf |
kantschaafje:
kaŋktšę̄fkǝ (L290p Panningen)
|
Stalen instrumentje met holle voorkant waarmee men scherpe kanten afrondt aan de zijden van een leren riem. Zie afb. 74. [N 36, 36; Li 1963, 43]
II-10
|
| 33116 |
kap aan de vlegelknuppel |
kap:
kap (L290p Panningen)
|
In tegenstelling tot de kap aan de vlegelstok die van ijzer is, is de kap aan het slaghout van leer. De meest voorkomende vorm van deze kap is een zeer stevig stuk taai varkensleer (in Q 9: van ezelleer); aan de uiteinden zitten enkele gaatjes, waar een leren veter doorheen wordt gehaald waarmee de kap, met een lus, om de vlegelknuppel wordt vastgesnoerd. Daartoe zijn in de enigszins afgeplatte kant van de knuppel enkele (doorgaans drie) inkepingen gemaakt waar de veters doorheen lopen. Zie afbeelding 10, d. In L 286 tekent de zegsman een vlegelknuppel met een gat erin, waardoor de vlegelband loopt. [N 14, 3b, 3d en 3e; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|