| 24833 |
kaasjeskruid |
groot kaasjeskruid:
groot kieskeskroet (L290p Panningen),
grōt kiǝskǝskrut (L290p Panningen),
klein kaasjeskruid:
klɛi̯n kiǝskǝskrut (L290p Panningen),
De boeren noemen het een lastig onkruid, het groeit hier overal
klein kieskeskroet (L290p Panningen)
|
kaasjeskruid, groot [DC 52 (1977)] || klein kaasjeskruid [DC 52 (1977)] || Malva L. Een vrij algemeen voorkomende struikachtige plant met langgesteelde bladeren, bloemen in groepen van twee of meer in de bladoksels en vruchtjes in de vorm van een plat kaasje. Het grote kaasjeskruid (Malva sylvestris L.), dat veel in bermen voorkomt, wordt tot meer dan 1 meter hoog en heeft roze of lichtpaarse bloemen en een ruwbehaarde stengel. Het kleine kaasjeskruid (Malva neglecta Wallr.), dat 40 cm groot wordt, komt meestal liggend voor bij boerderijen en aan wegranden en heeft rozerode, soms ook witte bloemen. De bloei duurt van juni tot september. [A 52, 10a en 10b; monogr.]
I-5, III-4-3
|
| 23212 |
kabouter |
aardmannetje:
ĕrdmĕnke (L290p Panningen)
|
kabouter [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 19751 |
kachel, stoof |
stoof:
štōf (L290p Panningen)
|
kachel [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 31568 |
kachelpoetsborstel |
potloodborstel:
pǫtluǝt˱bōrstǝl (L290p Panningen)
|
Borstel waarmee het zwartsel op de kachel kan worden uitgewreven. [N 33, 216]
II-11
|
| 31565 |
kachels zwarten |
potloden:
pǫtluǝtǝ (L290p Panningen)
|
Kachels met behulp van kachelzwartsel of door (in)branden of lakken zwart maken. In Q 83 liet men vetkool roken waarna het daarbij gevormde zwartsel op de kachel werd uitgewreven. Ook in L 330 werd het zwartbronzé samen met lijnolie boven een kolen- of turfvuur verhit en vervolgens op de kachel uitgepoetst. [N 33, 313; N 7, 41c; L 5, 60b add.; monogr.]
II-11
|
| 31566 |
kachelzwartsel |
poetspommade:
putsplǝmāt (L290p Panningen),
potlood:
pǫtluǝt (L290p Panningen
[(werd gebruikt samen met terpentijn)]
),
zebrakachelglans:
zebrakachelglans (L290p Panningen)
|
In dit lemma zijn de benamingen bijeengebracht voor de verschillende middelen die worden gebruikt om kachels zwart en glanzend te maken. Met potlood, grafiet in poedervorm, kunnen kachels glimmend worden opgepoetst. Kachelpoets en zebrakachelglans zijn poetsmiddelen om kachels mee op te wrijven en te laten glanzen. De steenpek (P 219) was volgens de invuller een soort steenkool die op het verwarmde ijzer gesmeerd werd om dit zwart te maken. [N 33, 313; N 7, 41b; L 5, 60b; monogr.]
II-11
|
| 24296 |
kadaver |
kadaver:
kadaver (L290p Panningen)
|
Dood beest. [N 38, 20]
I-11
|
| 22227 |
kaf |
kaf:
kāf (L290p Panningen),
vlimmen:
vlømǝ (L290p Panningen)
|
In dit lemma staan de varianten voor het kaf, de vliesjes of schutblaadjes van de graankorrels, bijeen. Het zit nog, te zamen met vreemd (met name onkruid-) zaad en slecht koren tussen het graan, wanneer het graan gedorst en uitgekamd is en moet ervan gescheiden worden door het wannen. Het type vlimmen (en hoogstwaarschijnlijk ook andere heteroniemen naast kaf) betekenen eigenlijk of ook "kafnaalden". Zie ook de lemma''s ''baard'' (1.3.7) en ''spikken'' (6.1.31). [N 14, 35a, 35b en 35c; JG 1a, 1b; L 1, a-m; L 27, 55; S 16; monogr.; add. uit N 14, 31]
I-4
|
| 33434 |
kafbewaarplaats |
kafhoek:
kāfh˙ōk (L290p Panningen)
|
De plaats waar het kaf bewaard wordt. Meestal is dit een aparte ruimte of een afgeschoten deel van een ruimte, zodat het kaf niet zo snel wegwaait. Vrijwel altijd gaat het om een deel van de schuur. In K 316 bewaart men het kaf buiten, in L 413 en Q 97 in een hoek van de dorsvloer. In sommige plaatsen vult men een kuil tot aan de rand met kaf (zo ook kafgat voor Q 7). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (zolder) het lemma "graanzolder" (3.4.11). [N 5A, 72c; N 14, 46; monogr.]
I-6
|
| 34492 |
kakelen |
kakelen:
kākǝlǝ (L290p Panningen)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van een kip. Dit lemma is onderverdeeld in geluiden die de kip maakt: (1) voordat ze een ei gaat leggen; (2) nadat ze een ei gelegd heeft. [N 19, 46; L 34, 12; L 34, 13; Vld.; N 18, add.; monogr.]
I-12
|