| 26597 |
leeglopen |
droogmalen:
droogmalen (K357p Paal)
|
Het over elkaar gaan van de molenstenen zonder graan. De stenen kunnen dan sneller gaan draaien waardoor het gevaar ontstaat dat de molen heet loopt. [N O, 34o; Vds 116; Jan 260; Coe 142; Grof 167; N O, 36e]
II-3
|
| 18920 |
leegloper |
leegloper:
ook materiaal znd 30, 4
leegloeëper (K357p Paal),
lieglupper (K357p Paal)
|
leegloper [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 30186 |
leemspecie |
leem:
lēm (K357p Paal)
|
Het mengsel van leem, koemest, strohaksel en in een aantal plaatsen ook varkens-, paarde-, of mensenhaar, waarmee het vlechtwerk wordt dichtgepleisterd. Zie voor het woorddeel 'kleen-' in het woordtype 'kleenleem' (Q 18) ook het lemma 'Bepleisteren'. [N 4A, 53c; N 31, 45c; div.]
II-9
|
| 30861 |
leest |
leest:
list (K357p Paal)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 22749 |
leeuw |
leeuw:
ne lieëf (K357p Paal),
ne liëw (K357p Paal)
|
Leeuw. [ZND 30 (1939)]
III-3-2
|
| 20110 |
leeuwenbek |
gapertje:
-
gaperkes (K357p Paal)
|
grote leeuwebek [ZND 40 (1942)]
III-4-3
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
legə (K357p Paal),
leŋə (K357p Paal)
|
leggen [ZND A1 (1940sq)], [ZND m]
III-1-2
|
| 33409 |
legnest |
hennennest:
hinǝnęst (K357p Paal)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 21553 |
lei |
lei:
ən lai (K357p Paal),
’n laai (K357p Paal),
’n lei (K357p Paal)
|
Een lei waarop de kinderen schrijven. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 34147 |
leiden |
leiden:
lē̜n (K357p Paal),
lɛ̄n (K357p Paal)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|