| 17573 |
kruin |
kruin:
krōͅn (K357p Paal),
krūīn (K357p Paal)
|
de kruin van het hoofd (waar het haar draait) [ZND 29 (1938)] || kruin van het hoofd [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 26587 |
kruipen |
zemelen:
zemelen (K357p Paal)
|
Het langzaam lopen van de molen. [N O, 13f]
II-3
|
| 17649 |
kruis |
kruis:
en kruis, twie kruizen (K357p Paal),
iə kröus, twië kröuze (K357p Paal),
krøs (K357p Paal),
krø̜̄.s (K357p Paal),
krø̜s (K357p Paal),
mik:
mek (K357p Paal)
|
Beenderenstelsel aan het einde van de rug. [N 3A, 109] || deel van het lichaam waar de bovenbenen tezamen komen [mik, fliermik] [N 10 (1961)] || Een kruis, twee kruisen. [ZND 29 (1938)] || Kruis. [ZND 01 (1922)] || Kruising van ruggegraat en achterheupen, uitlopend in de staart en staartwortel. Zie afbeelding 2.31. [JG 1a, 1b; N 8, 13 en 14]
I-11, I-9, III-1-1, III-3-3
|
| 22476 |
kruis of munt |
kruis of munt:
kruis of munt (K357p Paal)
|
Het kansspel waarbij een munt opgegooid wordt; de winnaar is degene die goed voorspeld heeft welke zijde (kruis of munt) boven zal liggen [koppelen, letteren, opgooien, omgooien, omroeien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 26674 |
kruisarmen van het spoorwiel |
kruisarmen:
krø̜s˱ɛrmǝ (K357p Paal)
|
De vier gekruiste balken midden in het spoorwiel van de rosmolen. [N D, 27]
II-3
|
| 23203 |
kruisbeeld |
kruis:
e kruis (K357p Paal)
|
Kruisbeeld. [ZND 22 (1936)]
III-3-3
|
| 34081 |
kruisbeen |
staartbeen:
stętbii̯ǝn (K357p Paal)
|
Heiligbeen, os sacrum; één der beenderen van het bekken. Het is een driehoekig beenstuk, ontstaan uit de vergroeiing van vijf wervels. [N 3A, 110a]
I-11
|
| 33551 |
kruisbes |
kroenzel:
krunsele (K357p Paal)
|
I-7
|
| 32798 |
kruiselings eggen |
kruisweegs [eggen]:
krø̜̄.swē̜xs (K357p Paal)
|
Bij de bewerking van stoppelland zowel als bij onkruidbestrijding egt men het stuk vaak kruisvormig, d.w.z. in de lengte en in de breedte. Gewoonlijk worden alleen brede akkers op deze wijze bewerkt; wanneer men een smalle akker (ook) in de breedte egt, moet er immers veel vaker gekeerd worden, wat meer tijd vraagt dan wanneer men die akker (nog eens) in de lengte egt. Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zij verwezen naar de toelichting op het lemma ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 84b]
I-2
|
| 23313 |
kruisen, kruisdagen? |
kruisen:
kr^ö.sən (K357p Paal)
|
kruisen [RND]
III-3-3
|