| 32536 |
korf |
korf:
kø̜rǝf (K357p Paal)
|
In het algemeen een uit wissen gevlochten en van een hengsel voorziene mand. Zie ook afb. 284. [N 20, 53; N 40, 37; monogr.]
II-12
|
| 24194 |
korhoen |
heihaan:
heihoan (K357p Paal)
|
korhoen
III-4-1
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
konkernol:
kokkermoelen (K357p Paal)
|
kornoelje [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 18604 |
korset |
korset (<fr.):
korse: (K357p Paal)
|
korset, rijglijf om de taille [rijlief, rellif, relf, ruls, stiklijst, stiflijk] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20617 |
korst |
korst:
verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.
korst (K357p Paal)
|
eerste (verse) en laatste (oudbakken) korst van het brood [ZND 02 (1923)]
III-2-3
|
| 18330 |
kort schortlint |
gatbindsel:
gatbindsels (K357p Paal),
gatbinsəls (K357p Paal)
|
linten, korte ~ waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden [gatslinte, gatlinter] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18013 |
kortademig |
dempig:
dempig (K357p Paal)
|
hij is dempig (kan moeilijk ademen) [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 18287 |
korte broek |
korte broek:
kort brook (K357p Paal),
ko̞rtəbrok (K357p Paal)
|
broek, korte (jongens)~ die de knieën onbedekt laat [N 23 (1964)] || korte broek (hoe heet ...?) [ZND 22 (1936)]
III-1-3
|
| 18216 |
korte laars |
botje:
bòttəkəs (K357p Paal),
bòtəkəs (K357p Paal),
get:
getten (K357p Paal),
gɛtə (K357p Paal),
-> e poar gette.
get (K357p Paal)
|
laars met een korte schacht die tot aan de kuit reikt [N 24 (1964)] || Laars, een paar laarzen (laars die alleen het been bedekt tussen enkel en knie) [ZND 37 (1941)]
III-1-3
|
| 18600 |
korte onderbroek? |
korte onderbroek:
kort onərbrok (K357p Paal)
|
onderbroek, korte ~ [N 25 (1964)]
III-1-3
|