| 22803 |
kermis |
kermis:
kɛrmis (K357p Paal)
|
kermis [RND]
III-3-2
|
| 22817 |
kermismolen |
paardjesmolen:
ən pērəkəsmølə (K357p Paal)
|
Een kermismolen. [ZND B1 (1940sq)]
III-3-2
|
| 22463 |
kermistent |
tent:
tent (K357p Paal),
ən teͅnt (K357p Paal)
|
Een kermistent [barak, schob]. [N 88 (1982)] || Een kermistent. [ZND B1 (1940sq)]
III-3-2
|
| 34077 |
kern |
hart:
hɛt (K357p Paal)
|
Uitsteeksel dat komt bloot te liggen, wanneer de koe een hoorn afstoot. [A 4, 15; L 20, 15]
I-11
|
| 23242 |
kerstmis |
kerstmis:
korsmes (K357p Paal)
|
Hoe vertaalt men in uw dialect: Kerstmis? [ZND 20 (1936)]
III-3-3
|
| 32783 |
kettingeg, weide-eg |
ketting[eg]:
kęteŋ[eg] (K357p Paal)
|
De kettingeg bestaat uit een vier-, soms driehoekig raam of slechts uit een losse voor- en achterbalk, waartussen kettingen gespannen zijn. Aan deze kettingen zijn korte en lichte tanden bevestigd. Zie afb. 13 en 14. Met de kettingeg wordt voornamelijk licht werk verricht. Het bekendst is het gebruik als weide-eg. Men bewerkt de weide met de kettingeg om de grasmat luchtiger te maken, om mest te verspreiden en molshopen te slechten. Men kan de kettingeg ook gebruiken om gerooide en in panden gelegde suikerbieten van de aanklevende aarde te ontdoen. Soms wordt met de kettingeg ook akkerland bewerkt. Van enige termen aan het einde van het lemma vindt men de plaatselijke varianten in het lemma ´akkersleep, weidesleep´ vermeld. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b + 2c; A 13, 16b; A 40, 10; N 11, 72e + 71 add.; N 11A, 163a + 181f; N 14, 81 add.; N J, 10; N P, 18b; monogr.]
I-2
|
| 19665 |
keuken |
keuken:
kø͂ͅkə (K357p Paal)
|
keuken [ZND 12 (1926)]
III-2-1
|
| 19496 |
keukenrek |
keukenrek:
kø̄kərɛk (K357p Paal),
rek:
reͅk (K357p Paal),
rɛk (K357p Paal)
|
de plank waarop het keukengerief wordt gezet [ZND 32 (1939)] || een rek (plank waarop potten en pannen staan) [ZND B1 (1940sq)]
III-2-1
|
| 21461 |
kibbelen |
malkander in het haar zitten:
ze zitten malkaar wiër in ⁄t haar (K357p Paal)
|
Ze zijn weer aan het kibbelen, twisten. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 18208 |
kiel |
kiel:
kiel (K357p Paal),
kīl (K357p Paal),
kɛil (K357p Paal),
kieltje:
kilke (K357p Paal)
|
kiel [ZND m] || kiel (kledingstuk voor mannen) [ZND 27 (1938)] || kiel, blauwlinnen of katoenen jasje van werklieden en boeren [keel, toekiel, kletsjet, plankerten] [N 23 (1964)]
III-1-3
|