| id | Begrip | Trefwoord: dialectopgave (plaats) | Omschrijving |
|---|---|---|---|
| 32925 | hoop, tussen heukeling en opper | kleine opper: klɛ̄nǝ ǫpǝr (Paal) | De middelgrote hoop, doorgaans één meter hoog, waarop het bijna droge hooi wordt gezet, voordat het tot grote hopen worden bijeengewerkt. [N 14, 108; A 16, 3; A 42, 20d] I-3 |
| 34073 | hoorn van de koe | hoorn: hārǝ (Paal), hō.rǝs (Paal), hōrǝ (Paal), hōrǝs (Paal) | [N 3A, 106a; JG 1a, 1b; L 1a-m; L 27, 25; S 15; Wi 14; monogr.] I-11 |
| 24169 | hop | hop: hoep (Paal) | hop III-4-1 |
| 32926 | hopen spreiden | uitspreiden: ø̜tspr˙ɛn (Paal) | Het uiteengooien van de middelgrote soort hopen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hopen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 109] I-3 |
| 19675 | hor | muggenzift: møgəzift (Paal), zift: zift (Paal) | een scherm van groenen metaaldraad, dat voor de open ramen wordt geplaatst om vliegen, enz. buiten te houden [ZND 35 (1941)] III-2-1 |
| 17733 | horen | horen: hy(3)̄jərə (Paal) | horen [N 10b (1961)] III-1-1 |
| 33456 | horizontale sluitbalk van een poort | grendel: grɛŋǝl (Paal), sluitstek: slø̜̄tstɛk (Paal) | Een losse balk, soms een stevige stok, die horizontaal wordt aangebracht achter de beide poortvleugels door hem achter haken te leggen. Zo is de gehele poort gesloten. Deze afsluiting bevindt zich meestal ter halve hoogte. Door functionele overeenkomst kunnen sommige benamingen ook in gebruik zijn voor andere afsluitingen. [N 5A, 54a; N 4A, 48; monogr.] I-6 |
| 18233 | horloge | horloge: ən gao horlosjie (Paal), ’n goo horlogie (Paal) | een gouden horloge [ZND 27 (1938)] III-1-3 |
| 17812 | houden | houden: hōn (Paal), hōən (Paal) | houden [ZND A1 (1940sq)], [ZND m] III-1-2 |
| 34216 | houder van slachtvee | weidenboer: wē̜bǫwǝr (Paal) | [N 3A, 77d] I-11 |