| 30260 |
schranken |
schranken:
sxrāŋkǝ (L163p Ottersum)
|
Gezegd van een kozijn dat uit het haaks verband zakt. [N 55, 17b]
II-9
|
| 30259 |
schranklatten |
schoorlatten:
sxǭrlatǝ (L163p Ottersum)
|
Dwarslatten die overhoeks op stijl en bovendorpel van het kozijn gespijkerd worden om te voorkomen dat het tijdens het vervoer uit de haakse stand zakt. De schranklatten worden verwijderd nadat het kozijn in de muur is ingemetseld. [N 55, 17a-b; monogr.]
II-9
|
| 20789 |
schransen |
buizen:
bø͂ͅi̯zə (L163p Ottersum),
inspaden:
inspōͅi̯ə (L163p Ottersum),
vreten:
vrēͅtə (L163p Ottersum)
|
schransen, veel eten || veel eten || vreten
III-2-3
|
| 31886 |
schrapen |
schrapen:
sxrāpǝ (L163p Ottersum)
|
Een stuk hout met het schraapstaal bestrijken ten einde het zuiver glad te maken. [N 53, 156]
II-12
|
| 21368 |
schreeuwen |
krijsen:
kręsǝ (L163p Ottersum)
|
Het schreeuwen van een varken ten teken van honger of bij het slachten. [N 19, 24; JG 1a, 1b; N 76, 33; monogr.; N 19, Q 111 add.]
I-12
|
| 24373 |
schrijvertje |
koffieboontje:
koffie-böntje (L163p Ottersum)
|
watertorretje
III-4-2
|
| 33816 |
schrikachtig |
schouw:
sxǫu̯ (L163p Ottersum)
|
Gezegd van schichtige, schuwe paarden, die angst hebben voor plotselinge geluiden en bewegingen. Zij slaan dan eventueel op hol, zodat zij streng aan de lijn gehouden dienen te worden. [JG 1a; N 8, 64j en 64k]
I-9
|
| 19661 |
schrobben |
schrobben:
sxrobə (L163p Ottersum)
|
schrobben
III-2-1
|
| 19536 |
schrobbezem |
schrobber:
schrubber (L163p Ottersum),
sxrobər (L163p Ottersum),
sxrøͅbər (L163p Ottersum)
|
bezem om de vloeren mee te schrobben (boender, schrobbessem, wasser, luiwagen) [N 20 (zj)] || schrobbezem, boender
III-2-1
|
| 31753 |
schrobzaag, sleutelgatzaag |
fok(s)zwans:
fuks˲zwāns (L163p Ottersum),
schrobzaag:
sxrop˲zāx (L163p Ottersum),
sleutelzaag:
slø̄tǝlzāx (L163p Ottersum)
|
Handzaag met een smal, spits toelopend blad, die wordt gebruikt om midden in hout en langs gebogen lijnen te zagen. Soms wordt er voor het zagen van sleutelgaten een andere zaag van een vergelijkbaar type gebruikt, kleiner en met een ander handvat. Die wordt ook wel met de term ɛsleutelgatzaagɛ aangeduid. Zie ook afb. 13.' [N 53, 4-5; N G, 23c; monogr.; N 33, 330]
II-12
|