| 22324 |
kiskassen |
over het water scheren:
steinkes sjaere euver ⁄t water (L322a Nunhem)
|
Scheren met kleine steentjes over het water. [N 37 (1971)]
III-3-2
|
| 29723 |
kissel |
banetrekker:
bā.nǝtrę ̞kǝr (L322a Nunhem)
|
Plank met steel waarmee de schabul de baan egaal maakte. [monogr.]
II-8
|
| 29677 |
klad |
klats:
klats (L322a Nunhem),
klatš (L322a Nunhem),
vlaai:
flaj (L322a Nunhem)
|
Boven de vorm uitstekend, overtollig stuk klei, dat met behulp van de afstrijkboog of het afstrijkmes wordt afgesneden. [N 98, 80; monogr.]
II-8
|
| 21802 |
klagen |
klagen:
klage (L322a Nunhem)
|
droefheid en pijn door woorden te kennen geven, zich uitlaten over iets verdrietelijks [klagen, murmereken, kuimen, parmenteren, bulken, balken] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 29712 |
klapstoel |
bok:
bok (L322a Nunhem),
klapstoel:
klapštōl (L322a Nunhem),
klapstoeltje:
klapstø̄̄lkǝ (L322a Nunhem)
|
Toestel dat door middel van voetkracht de met klei gevulde vormbak omkeert op een steenplankje. [N 98, 85; monogr.]
II-8
|
| 33256 |
klaver, algemeen |
klee:
klēi̯ǝ (L322a Nunhem)
|
De klaver- en klee-varianten in dit lemma vormen de verzamelnaam voor allerlei klaversoorten uit de familie van de Vlinderbloemigen. Klaver werd tot 1950 geteeld als groenvoer en als stoppelgewas. In de Nijmeegse lijst is niet naar de afzonderlijke soorten of naar de algemene naam gevraagd, alleen naar de benamingen voor verschillende oude klaversoorten. Hier zijn, naast de algemene naam in dit lemma, eerst enkele meestvoorkomende soorten apart behandeld en is tot slot een verzamellemma Andere Oude Klaversoorten toegevoegd. De scheiding in het Nijmeegse materiaal is achteraf aangebracht, op grond van de gewasnaam, de opmerkingen van de zegslieden en andere bronnen. Zie ook WBD.I, afl. 8, blz. 1408. [N 14, 83; JG 1a, 1b, 2b, 2c; A 4, 10; L 1, a-m; L B2, 348; L 20, 10; Wi 50; S 18; monogr.]
I-5
|
| 18171 |
kledij, kleren |
kledage:
kleijazie (L322a Nunhem),
kleren:
kleijer (L322a Nunhem),
t dinge, ploete, lijnwaad, kluft]:
kleijer (L322a Nunhem)
|
kleding, kledij (verzamelnaam) [kleerazie, klejaasj] [N 23 (1964)] || kleren, kledingstukken [kleer [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 19389 |
kleerhanger |
klederhanger:
klei-jerhenger (L322a Nunhem)
|
Een gebogen hout met een haak om kleren op te hangen (kleerhanger, kapstok) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 24446 |
kleerluis |
huidluis:
hoe-dloes (L322a Nunhem)
|
kleerluis die eieren legt in de naden van vuile onderkleren [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 20609 |
klef |
knuf:
knöf (L322a Nunhem)
|
doorbakken; Hoe noemt U: Zwaar gebakken, gezegd van brood (derf, klut, klei, knoef, kluit) [N 80 (1980)]
III-2-3
|