| 30569 |
schilder |
schilder:
sxeldǝr (L312p Neerpelt),
sxęldǝr (L312p Neerpelt)
|
Iemand die van schilderen zijn beroep maakt. Bij het 'technisch schilderen', het bedekken van oppervlakten met verf ter conservering en kleurgeving, onderscheidt men de huis-, decoratie- en rijtuigschilder. In L 210 plaatste de huisschilder bij de bouw van een nieuw huis ook de ruiten. [Wi 51; L 44, 21b; N 67, 98a; monogr.]
II-9
|
| 19765 |
schilderij |
schilderij:
schilderij (L312p Neerpelt)
|
Schilderij. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 21086 |
schimmel |
schimmel:
sxømǝl (L312p Neerpelt)
|
Paard met een geheel of overheersend witte of grijsachtige vacht. Naarmate de leeftijd vordert, neemt het wit toe; schimmels worden niet geboren, ze ontstaan mettertijd. De vosschimmel is wit met rode of bruinachtige vlekken. [JG 1a, 1b; N 8, 63a en 63b; S 31]
I-9
|
| 21244 |
schip |
schip:
e scheep twie scheepen (L312p Neerpelt),
sxê.p (L312p Neerpelt),
ə sgep twiə sgepə (L312p Neerpelt),
ə sxep twiə sxepə (L312p Neerpelt),
ə sxēp twīə sxēpə (L312p Neerpelt)
|
een schip, twee schepen [ZND 42 (1943)] || schip [RND]
III-3-1
|
| 21248 |
schipper |
schipper:
sxipər (L312p Neerpelt)
|
schipper [RND]
III-3-1
|
| 32855 |
schitbossen |
schitbossen:
sxet˱bøs (L312p Neerpelt)
|
Bossen van welig opschietend gras in de weide, op plaatsen waar koedrek heeft gelegen. De koeien laten deze bossen vaak staan; ze worden dan later in het seizoen afgemaaid. Overal is het meervoud opgenomen; behalve waar uitdrukkelijk anderszins aangegeven. [N 14, 85; N 14, 123 add.; monogr.]
I-3
|
| 18341 |
schoeisel |
bakkerspantoffels:
bakkerspantoffels (L312p Neerpelt),
t leer]:
leͅr (L312p Neerpelt)
|
Naast het gebruikelijke schoeisel als schoenen en klompen draagt de bakker ook wel makkelijk inschietbare pantoffels. De informant van K 278 vermeldt dat het hier gaat om een soort pantoffel waarvan de zolen uit koord bestaan en waarvan het bovenstuk linnen is. [N 29, 102f] || schoeisel, het geheel van schoenen, laarzen e.d. [voetgetöch [N 24 (1964)]
II-1, III-1-3
|
| 18272 |
schoen: algemeen |
schoen:
sXuən (L312p Neerpelt)
|
schoen [skoewn, schoe, sjoe, schoon, sjoon] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18369 |
schoen: spotnamen |
leren tram:
lirən tram (L312p Neerpelt)
|
schoen: spotbenamingen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18347 |
schoenlepel |
schoentrekker:
sXuəntrekər (L312p Neerpelt)
|
schoenlepel [schoontrekker] [N 24 (1964)]
III-1-3
|