| 23311 |
lof |
lof:
lōͅf (L312p Neerpelt),
tloͅf (L312p Neerpelt)
|
het lof [RND] || Het lof, de kerkdienst met uitstelling van het Allerheiligste, gehouden op zondagmiddag, soms op zaterdagavond [lof, laof, zeëje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23663 |
lof met processie |
kleine processie (<lat.):
kleen preseessie (L312p Neerpelt)
|
Lof met processie (rondom de kerk of over het kerkplein of kerkhof) op de eerste zondag van de maand. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33813 |
lomp paard |
karhengst:
kɛrhęŋst (L312p Neerpelt)
|
[JG 1a; N 8, 62h]
I-9
|
| 34264 |
longen |
longen:
loŋǝ (L312p Neerpelt),
loos (enk):
lǭs (L312p Neerpelt)
|
De longen of de long van het grootvee in het algemeen. [N 28, 88b]
I-11
|
| 31186 |
loodgieter |
dakwerker:
dākwē̜rkǝr (L312p Neerpelt),
loodgieter:
lūt˲gitǝr (L312p Neerpelt)
|
Ambachtsman die vroeger vooral zink en blik bewerkte, loden buizen maakte en herstelde, dakgoten en regenpijpen plaatste en repareerde en, zo blijkt uit de antwoorden van de zegslieden, soms ook waterpompen aanlegde. Tegenwoordig installeert en repareert hij vooral sanitaire installaties en verwarmingstoestellen. Zie ook het lemma "zinkbewerker". Het woord pompenmaker werd in Venray (L 210) en omstreken ook gebruikt als benaming voor een koperslager. Zie ook het lemma "koperslager". [N 64, 161a; L 34, 17a-b; monogr.]
II-11
|
| 33679 |
loodzand |
grijze aarde:
grīs ē̜rt (L312p Neerpelt),
heilaag:
hęi̯lǭx (L312p Neerpelt)
|
De loodgrijze zandlaag onder de heizode. [N 27, 17]
I-8
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
bladen:
blǭi̯ǝ (L312p Neerpelt)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|
| 21686 |
loon |
pree (<fr.):
ps. omgespeld volgens Frings.
pre (L312p Neerpelt),
quinzime (fr.):
ps. omgespeld volgens Frings.
kon⁄sym (L312p Neerpelt),
traktement:
ps. omgespeld volgens Frings.
traktə⁄mēͅnt (L312p Neerpelt)
|
loon, wat men verdient [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25605 |
loonbak |
meebak:
mē̜jbak (L312p Neerpelt)
|
Deeg van brood en gebak dat aan huis is klaargemaakt en dat naar de bakker wordt gebracht om er brood of gebak van te laten bakken tegen een vergoeding. [N 29, 98; monogr.]
II-1
|
| 21596 |
loop van een geweer |
loop:
loop van n geweer (L312p Neerpelt)
|
De loop van een geweer [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|