| 34220 |
koptouw |
zeel:
ziǝl (L312p Neerpelt),
zīǝl (L312p Neerpelt)
|
Touw aan de horens van een koe. [N 3A, 14a]
I-11
|
| 34200 |
kopziekte |
kopziekte:
kopziktǝ (L312p Neerpelt),
kǭpziktǝ (L312p Neerpelt)
|
Door de overgang van de stal naar de weide treden stoornissen op in het maagdarmkanaal na plotselinge opname van grote hoeveelheden eiwit uit het jonge gras. Kopziekte komt vooral in het voorjaar voor. Bij een acuut verloop is er een potselinge aanval van krampen, waarbij alle ledematen, hals, hoofd, ogen en oren betrokken zijn. De opeenvolgende krampgolven nemen in hevigheid toe, totdat de dood volgt door een hartkramp (Berns 1983, blz. 137). Door de boeren wordt kopziekte vaak verward met melkziekte. Het zijn allebei zogenaamde deficiëntieziekten: bij kopziekte gaat het dan om een gebrek aan magnesium, bij melkziekte aan calcium. Zie ook het lemma ''kopziekte'' in wbd I.3, blz. 474-475.' [N 3A, 79; A 48A, 3; monogr.]
I-11
|
| 33964 |
kordeel, hotlijn |
kordeelkoord:
kǝrdiǝlkōrt (L312p Neerpelt),
kordeelkoordje:
kǝrdiǝlkø̜rtjǝ (L312p Neerpelt)
|
Riem die of touw dat aan de korte teugel (cf. lemma Loenje) is vastgemaakt en door de voerman in de hand gehouden wordt. Als de voerman aan die lijn trekt, draait het paard naar links (haar), als hij er zachte rukjes aan geeft, draait het paard naar rechts (hot). Meestal wordt de gewenste richting van het paard echter vooral met commando''s aangegeven. [JG 1a, 1b; N 13, 29 en 32]
I-10
|
| 20109 |
korenbloem |
korenbloem:
kōrǝblum (L312p Neerpelt)
|
Centaurea Cyanus L. Een niet meer zo algemeen voorkomende plant met blauwe bloemen, een spinselachtig behaarde stengel en dunne lancetvormige bladeren, die groeit in korenvelden, op zandgronden en in bermen. De plant bloeit van juni tot augustus en varieert in hoogte van 30 tot 60 cm. [A 13, 14; L 34, 31; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 33092 |
korenmijt zetten |
tassen:
tasǝ (L312p Neerpelt),
zetten:
zętǝ (L312p Neerpelt)
|
Het maken van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Het object van de overgankelijke werkwoorden is steeds: een korenmijt, of, kortweg, koren. [N 15, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 24194 |
korhoen |
korhaan:
korhoan (L312p Neerpelt)
|
korhoen
III-4-1
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
konkernoelje:
konkernoelies (L312p Neerpelt),
kōnkərnūljə (L312p Neerpelt)
|
kornoelje [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 18604 |
korset |
korset (<fr.):
corset (L312p Neerpelt)
|
korset, rijglijf om de taille [rijlief, rellif, relf, ruls, stiklijst, stiflijk] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18361 |
kort onderrokje |
poepenrokje:
poeperökske (L312p Neerpelt)
|
onderrokje, kort ~ [piszieëlke, poeprökske] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18330 |
kort schortlint |
kontlint:
kontlenter (L312p Neerpelt),
kontlintje:
kontlentsje (L312p Neerpelt)
|
linten, korte ~ waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden [gatslinte, gatlinter] [N 24 (1964)]
III-1-3
|