| 18151 |
knikkebenen |
doorknikken:
zən knejə knekə dōr (L312p Neerpelt)
|
lopen: met doorknikkende knieën lopen [kwakken] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22363 |
knikker |
huif:
hyv (L312p Neerpelt),
ən hyf (L312p Neerpelt),
knikker:
knekker: Nederland (- Budel en Weert), Lommel, Lommel-Kolonie, Neerpelt.
knekər (L312p Neerpelt)
|
Een knikker. [ZND B1 (1940sq)] || Knikker. || Knikker: de kleine (van steen of glas). [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
| 25601 |
knipbrood |
knipbrood:
knepbrūwǝt (L312p Neerpelt)
|
Brood waarin met behulp van schaar of mes een gleuf is aangebracht. Voor de overige broodsoorten en producten van het bakken zij verwezen naar het deel "Algemene Woordenschat". [N 29, 44b; N 29, 44a; N 29, 43]
II-1
|
| 17784 |
knipogen |
een oogje knippen:
ie knipde n øgske (L312p Neerpelt),
n eugske knippen (L312p Neerpelt),
n øgskə knippən (L312p Neerpelt),
oogje knippen:
ugske knippe (L312p Neerpelt)
|
knipogen (een oog dichtdoen als teken van verstandhouding) [ZND 28 (1938)]
III-1-1
|
| 28942 |
knippatroon |
patroon:
pǝtruwǝn (L312p Neerpelt)
|
Een naar de vereiste vorm geknipt of te knippen stuk papier, waarnaar de stof voor kledingstukken geknipt wordt. [N 59, 48a; N 62, 4; MW; monogr.]
II-7
|
| 28947 |
knippen, snijden |
snijden:
sni-jǝ (L312p Neerpelt)
|
Het uitsnijden van het patroon uit de stof of de stof met de schaar volgens patroon in stukken verdelen. Het object stof, patroon, kleed, stuk is bij de woordtypen knippen en snijden niet gedocumenteerd. [N 59, 50; N 62, 3; Gi, 1.IV, 21; MW]
II-7
|
| 25080 |
knoeien, morsen, bevuilen |
bemorsen:
bemorsen (L312p Neerpelt)
|
bevuilen [ZND 32 (1939)]
III-4-4
|
| 21001 |
knoflook |
look:
lōēk (L312p Neerpelt)
|
look [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33246 |
knollen uittrekken |
plukken:
pløkǝ (L312p Neerpelt)
|
In oktober worden de bieten geoogst. Vroeger werden ze met een riek uitgestoken, later met een speciaal stuk gereedschap, zie het lemma Bietenrooier. Het bleef zwaar werk. Het object van het werkwoord is steeds "knollen" zoals in het lemma Knolvoer, Rapen (Coll.). Vergelijk ook het lemma Aardappels Rooien. [N Q, 11a; monogr.; add. uit Goossens 1963, kaart 17]
I-5
|
| 33236 |
knolraap, raap |
raapje:
rǭpkǝ (L312p Neerpelt),
rapen:
rǭpǝ (L312p Neerpelt)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|