| 25607 |
inschieten |
inschieten:
ensxitǝ (L312p Neerpelt),
ensxitǝn (L312p Neerpelt),
ensxītǝ (L312p Neerpelt),
inschieten (L312p Neerpelt)
|
Het deegbrood in de oven plaatsen. Een bij het werkwoord opgegeven object "brood", "deeg" e.d. wordt niet gedocumenteerd evenmin de bepaling "in de oven". [N 29, 45a; L 40, 13b; N 29, 30b; monogr.; OB 2, 2d]
II-1
|
| 25236 |
inslaan, van de bliksem gezegd |
inslaan:
inslaon
enslōn (L312p Neerpelt),
t slut in
ət sløt ēn (L312p Neerpelt)
|
inslaan, gezegd van de bliksem [afvellen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 34001 |
inspannen |
inspannen:
ē.nspanǝn (L312p Neerpelt)
|
Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74]
I-10
|
| 23605 |
introïtus |
introtus (<lat.):
introitus (L312p Neerpelt)
|
De intredezang, introïtus, door het koor gezongen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25589 |
invetten |
insmeren:
ensmērǝ (L312p Neerpelt)
|
Blik, vorm of plaat invetten om aankleven van het deeg te voorkomen. [N 29, 38a; monogr.]
II-1
|
| 23514 |
jaargetijde |
jaargetijde:
jōͅrgəteͅi (L312p Neerpelt)
|
Een mis op de verjaardag van iemands overlijden, jaardienst, jaargetijde, jaargedachtenis [jörgentij, joaërgedechnis?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34074 |
jaarring |
ring:
reŋk (L312p Neerpelt),
rēŋk (L312p Neerpelt)
|
Jaarlijkse ringvormige verdikking aan de hoorns. [N 3A, 106b]
I-11
|
| 18705 |
jacquetjak |
jacquet (<fr.):
jaket (L312p Neerpelt)
|
jak in jacquetvorm [seketjek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18566 |
jacquetpak |
jacquet (<fr.):
sjeket (L312p Neerpelt)
|
jacquetkostuum, bestaande uit zwarte slipjas, vest en gestreepte broek [sjeket, seket] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18259 |
jak |
bolero (<fr.):
bollero (L312p Neerpelt),
jak:
jak (L312p Neerpelt)
|
jak (kort vrouwenkledingstuk) [ZND 27 (1938)] || vrouwenjak, kort jasvormig getailleerd bovenkledingstuk [jak, baskien, bollero, zeelewermer, kasjevek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|