| 30105 |
schoorsteenstoel |
schouwstoel:
šǫwstōl (L321p Neeritter)
|
Het ongeveer één meter hoge, onderste gedeelte van een schoorsteen waarvoor de haard of kachel geplaatst wordt. Men onderscheidt al naar gelang de bouwwijze onder meer de Engelse stoel en de Franse stoel. Bij de Franse stoel is de voorzijde van de stoel met behulp van een éénsteensmuurtje dichtgemetseld. De nisbuis is in horizontale richting in de voorwand van de stoel, ook wel spiegel genoemd, aangebracht. In een Franse stoel is het noodzakelijk een roetzak te maken. Onder een roetzak verstaat men een ruimte aan de voet van de schoorsteen die met behulp van een luikje bereikbaar is om het neervallende roet uit de schoorsteen te kunnen verwijderen. De Engelse stoel is aan de voorzijde geheel open en wordt van boven bij het rookkanaal dichtgemaakt met een gewapend betonplaatje, waarin de nisbuis in verticale richting geplaatst wordt. De pijp van kachel of haard wordt van onderen in de nisbuis gestoken. Om het neervallende roet uit de schoorsteen op te vangen is aan deze pijp naar onderen een verlengstuk gemaakt dat met behulp van een deksel kan worden afgesloten. [N 32, 26a; monogr.]
II-9
|
| 17648 |
schoot |
schoot:
sjoeat (L321p Neeritter)
|
schoot [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 18331 |
schootsvel |
schootsvel:
sjoeotsvel (L321p Neeritter)
|
schootsvel, voorschoot van leer of grove stof, gedragen door ambachtslieden [voorvel, sloop] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 26762 |
schop om vlikken of heiturf te steken |
risschup:
resšø̜p (L321p Neeritter),
vlikkenschup:
flekǝšø̜p (L321p Neeritter)
|
Schop met twee opstaande randen of vleugels aan de zijkant. Het blad is meestal hartvormig. [N 18, 13; I, 39; monogr.]
II-4
|
| 33422 |
schop, afdak voor landbouwgereedschappen |
afdak:
āfdāk (L321p Neeritter),
karreschop:
kerǝsxop (L321p Neeritter),
schop:
šop (L321p Neeritter)
|
Het gedeelte van de boerderij-gebouwen waarin het los gereedschap, de karren, wagens en werktuigen worden opgeslagen. Soms stond deze bergplaats op zichzelf, maar doorgaans was ze tegen de schuur aangebouwd en bestond ze uit een groot afdak, zonder muren. Scherf is een contaminatie van ''schelf(t)'' en ''scherm''. Schaldij is eigenlijk "binnenplaats". Zie ook de plattegronden bij paragraaf 1.2. [N 5A, 73c en 80a; N 5, 105a, 106 en 107; JG 1a, 1b, 1c, 2a, 2b en 2c; L 1a-m; L B1, 179; L 6, 56 en 57; L 12, 1; L 19a, 11; Gwn 4, 1; S 1 en 50; monogr.]
I-6
|
| 17961 |
schoppen |
schoppen:
sjöppe (L321p Neeritter)
|
schoppen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 26112 |
schoren |
zweerden:
zwę̄rdǝ (L321p Neeritter)
|
De vier schuine balken (twee lange en twee korte) die aan de uiteinden van de lange en korte spruit bevestigd zijn en deel uitmaken van de staart van de Hollandse molen. Zie ook afb. 25 en de toelichting bij het lemma ɛspruitenɛ.' [N O, 52d; N O, 29f add.; A 42A, 107; Sche 26]
II-3
|
| 18283 |
schort zonder borststuk |
halve scholk:
halve sjolk (L321p Neeritter),
lage scholk:
lieëge sjolk (L321p Neeritter)
|
voorschoot, werkschort zonder borststuk scholk, skolk, veuring, veurik, sloep, sloof, slopschorteldoek] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21367 |
schot |
schot:
sjēūt (L321p Neeritter)
|
schot [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 19506 |
schotel |
baar:
platte aarde of houten schotel, om melk te bewaren, die na een dag werd afgeroomd.
baar (L321p Neeritter),
teil:
platte aarde of houten schotel, om melk te bewaren, die na een dag werd afgeroomd.
teil (L321p Neeritter),
vleesschotel:
Ovaal. Voor vlees ovaal, van glas of porselein.
vleissjotel (L321p Neeritter)
|
schotel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || teil, in de betekenis van aarden pan of diepe schotel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|