| 32751 |
met een voor spitten |
voorgoed spaden:
vø̄rgōt [spaden] (L321p Neeritter)
|
Manier van spitten, waarbij men - achterwaarts gaande - de ene voor naast de andere graaft en de uitgestoken aarde omgekeerd in de open voor deponeert. Uit minder specifieke termen als (om)spaden en (om)graven kan worden afgeleid, dat ter plaatse meestal in voren wordt gespit. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zie men het lemma spitten. [N 11, 65b; N 11A, 148a; monogr.]
I-1
|
| 17946 |
met grote stappen lopen |
benen (ww.):
beine (L321p Neeritter),
benen maken:
bein make (L321p Neeritter),
gengen:
B.v. de kwajongens werden achternagezeten en gegjden (= gingen aan de haal).
gengö (L321p Neeritter),
wijd treden:
wiet traîje (L321p Neeritter)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || stappen, grote ~ maken [stuppen] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 26213 |
met halve zeilen |
half:
halǝf (L321p Neeritter)
|
Gezegd van een molen wanneer hij draait met de zeilen voor de helft opgerold. Zie ook afb. 44B. [N O, 7i; A 42A, add.; A 42A, 74 add.; N O, 5i; N O, 5h; N O, 7h]
II-3
|
| 17945 |
met kleine stapjes lopen |
dabberen:
i.e. een kind dat leert lopen.
debbere (L321p Neeritter),
dribbelen:
i.e. een kind dat leert lopen.
drubbele (L321p Neeritter),
trippelen:
B.v. ein aardig maidje trippelde veur hun oet.
trippele (L321p Neeritter)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34140 |
met opgeheven staart rondlopen |
biezen:
bezǝ (L321p Neeritter),
bizǝ (L321p Neeritter)
|
[N 3A, 9a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 34003 |
met paard en kar rijden |
varen:
vārǝ (L321p Neeritter)
|
[JG 1b, 2c; N 8, 100; Wi 33; monogr.]
I-10
|
| 34004 |
met paard en koets rijden, paardrijden |
rijden:
rīi̯ǝ (L321p Neeritter)
|
Het paard besturen als het voor de koets gespannen is, of als het als rijdier gebruikt wordt. Deze twee begrippen worden terminologisch niet onderscheiden. [JG 1a, 1b; Wi 29; monogr.]
I-10
|
| 25530 |
met sterke werking |
straf:
straf (L321p Neeritter)
|
Kwaliteitsaanduiding, gezegd van goede of buitenlandse bloem. Deze bloem stijft vlugger en neemt meer vocht op. [N 29, 16]
II-1
|
| 26210 |
met volle zeilen |
volle zeilen in top:
vǫlǝ zęjlǝ en top (L321p Neeritter)
|
Gezegd van een molen wanneer alle zeilen bijgezet zijn. Zie ook afb. 44D. [N O, 7f; N O, 7e; N O, 7c; A 42A, add.]
II-3
|
| 32803 |
met vollen eggen |
met vollen [eggen]:
męt ˲vǫlǝ (L321p Neeritter)
|
Manier van eggen waarbij men na het keren de volgende egbaan niet meteen bij de vorige laat aansluiten. Men laat tussen de baan die op de heenweg geëgd werd, en de baan die men op de terugweg trekt, telkens een strook ongeëgd liggen. Die strook kan in breedte variëren. Op de volgende heenweg wordt die strook of een deel daarvan "vol" geëgd. Op de volgende terugweg laat men dan weer een strook onbewerkt. Men kan telkens één "vol" laten liggen, maar ook twee of meer; zie de afb. 74, 75 en 76. Er wordt a.h.w. in spiraalachtige ronden geëgd. Dit doet men vooral om op de einden van de akker ruimer en sneller te kunnen draaien. Het paard hoeft dan minder stappen te zetten en de eg hoeft daarbij niet omgelegd of omgetrokken te worden. Voor het werkwoordelijk deel van de meeste termen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting op het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 83; N 11A, 176b; monogr.]
I-2
|