| 33237 |
knolvoer, rapen (coll.) |
groen:
grø̄n (L321p Neeritter)
|
Rapen in het algemeen, als groenvoer of als ingekuild voer voor het vee gebruikt; herfstknollen. [N 12A, 4a; JG 1b, 2c; monogr.; add. uit N 11A, 29f en 29g; N 12, 40, N Q, 11a]
I-5
|
| 18262 |
knoop |
knoop:
knoup (L321p Neeritter),
knuip (L321p Neeritter),
knǫwp (L321p Neeritter)
|
knoop [SGV (1914)] || knoopen (mv.) [SGV (1914)] || Plat, rond schijfje of min of meer bolvormig voorwerpje van been, hout, metaal enz., dat aan kleding of andere gebruiksvoorwerpen wordt genaaid, hetzij als een middel om ze te doen sluiten of met een deel van hetzelfde of met een ander stuk te verbinden. [N 59, 135; N 62, 65a; Gi 1.IV, 48; Wi 5; S 18; MW; monogr.]
II-7, III-1-3
|
| 18384 |
knoopbottine |
knoopbottine:
knoeopbottinnen (L321p Neeritter)
|
rijgschoenen, hoge ~ voor dames [petiens, bottines] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34337 |
knorren |
knorren:
knōrǝ (L321p Neeritter),
rochelen:
roxǝlǝ (L321p Neeritter)
|
Het natuurlijke geluid van een varken. [N 19, 23; Wi 56; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 19350 |
knorrepot |
knorpot:
knôrpot (L321p Neeritter)
|
knorrepot [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 17880 |
knuppel, knots |
kluppel:
klöppel (L321p Neeritter)
|
knuppel [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 34058 |
koe |
koe:
ku (L321p Neeritter),
kuu̯ǝ (L321p Neeritter),
kōu̯ (L321p Neeritter)
|
Volwassen vrouwelijk rund, in de regel een rund dat één of meerdere keren gekalfd heeft. Zie afbeelding 5. Op de kaart is het woordtype koe niet opgenomen. [JG 1a, 1b; A 3, 37; A 4, 11; Gwn V, 2a; L 1a-m; L 4, 37; L 5, 27b; L 7, 61b; L 14, 26 en 88; L 20, 11; L 27, 5 en 57; L 29, 44; L 38, 44; L 40, 21b; L 44, 16, 21a en 39; R 12, 29; R (s]
I-11
|
| 34066 |
koe die eenmaal heeft gekalfd |
eerste vaars:
īǝstǝ vē̜s (L321p Neeritter),
schot:
šǫt (L321p Neeritter)
|
Zie afbeelding 6. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe''(3.3.1). [N C, 14a; monogr.]
I-11
|
| 34068 |
koe die tweemaal heeft gekalfd |
tweede vaars:
twīǝdǝ vē̜s (L321p Neeritter)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) resp. (kalf) de lemmata ''koe'' (3.3.1) en ''kalf'' (3.1.1). [N 3A, 26a; N C, 14b]
I-11
|
| 34126 |
koe met gebogen, opgezette rug |
hondsrug:
hōntsrø̜k (L321p Neeritter)
|
[N 3A, 145c]
I-11
|