| 21809 |
overleg |
beraad:
beraod (L294p Neer),
overleg:
euverlek (L294p Neer)
|
de beraadslaging, het overleggen met anderen [beschik, beleid, bezeei, beraad, overleg] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 21808 |
overleggen |
overleggen:
euverlikke (L294p Neer),
(è).
euverlikke (L294p Neer)
|
anderen raadplegen, een zaak met een ander bespreken [overleggen, ordenen, beraadslagen] [N 85 (1981)] || de beraadslaging, het overleggen met anderen [beschik, beleid, bezeei, beraad, overleg] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 18847 |
overmoedig gedrag |
waaghalzerij:
waoghalzerie (L294p Neer)
|
overmoedig, roekeloos gedrag [cranerie] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33051 |
overmouwen |
morsmouwen:
mǫrsmuu̯ǝ (L294p Neer)
|
De aflegger, en ook de binder (zie paragraaf 4.6), beschermde zijn armen tegen de stekende en snijdende halmen door er overmouwen overheen te schuiven. Vaak zijn het een paar oude kousen waarvan de teenstukken zijn afgeknipt; vandaar het type strompen: (afgesneden) kousen. [N 15, 54; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 33560 |
overrijp, beurs |
maas:
eigen spellingsysteem maos
maos (L294p Neer),
melig:
eigen spellingsysteem
maelig (L294p Neer),
murg:
eigen spellingsysteem
murg (L294p Neer)
|
Te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht (meelachtig, melen, versleten, melig). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 25065 |
overschot, restant |
klatsje:
kletske (L294p Neer),
rest:
rest (L294p Neer)
|
een klein overschot [kwets, kwats, klats, klets, klas] [N 91 (1982)] || een overgebleven brok van een of andere hoeveelheid [klik] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 32213 |
overval |
over:
ø̜̄vǝr (L294p Neer)
|
De schuine stand van de spaken ten opzichte van de naaf, die mede de sterkte van het wiel bepaalt. Zie ook afb. 188. [N G, 21c]
II-12
|
| 18892 |
overwegen |
nadenken:
naodinke (L294p Neer),
prakkiseren:
prakkezeere (L294p Neer)
|
goed nadenken, alles goed bekijken voordat men iets doet [nadenken, achterdenken, naprakkezeren, overdenken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 28618 |
overzetten |
omzetten:
omzetten (L294p Neer)
|
Het omzetten van twee volken om twee gelijkwaardige volken te krijgen. Het is een ander middel dan omjagen. De volken worden zonder dat ze gejaagd worden, van plaats verwisseld. De bijen uit de sterke korf vliegen bij hun terugkeer naar de zwakke en maken deze sterk. [N 63, 93c; monogr.]
II-6
|
| 24340 |
paaien |
kuitschieten:
ideosyncr.
kŭŭt sjeete (L294p Neer)
|
Hoe noemt u eieren leggen, kuit schieten, gezegd van vissen (schodderen, rogen, paaien, aangaan) [N 83 (1981)]
III-4-2
|