| 23231 |
pasen |
pasen:
pose (Q253p Montzen),
posjə (Q253p Montzen)
|
Paschen. [ZND 10 (1925)] || Pasen [Paoësje, Oeëster]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28897 |
paspop |
pop:
pop (Q253p Montzen)
|
Pop waarop men gemaakte kleren past. Er zijn verschillende soorten paspoppen, bijv. harnassen van metalen ringetjes die van voren of van achteren kunnen worden gesloten of pasvormen van geprepareerd papier of karton (Morand, pag. 35). Er bestaan echter ook standaard-paspoppen, zowel voor mannen, vrouwen als kinderen. [N 59, 33]
II-7
|
| 18183 |
passen |
aanpassen:
āpāsǝ (Q253p Montzen)
|
Een kledingstuk passen om te zien of het goed zit en de juiste maat heeft. [N 59, 73; N 62, 8; L 48, 1; monogr.]
II-7
|
| 23784 |
passiezondag |
passionzondag:
pasiuənsōndəch (Q253p Montzen)
|
De vijfde zondag van de vasten, de voorlaatste zondag vóór Pasen. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28898 |
passpiegel |
grote spiegel:
gruǝtǝ špēgǝl (Q253p Montzen),
spiegel:
špēgǝl (Q253p Montzen)
|
Grote spiegel waarin men zich helemaal kan zien, ten voeten uit. [N 59, 34]
II-7
|
| 33561 |
pastinaak |
pastenaai:
bastenaj (Q253p Montzen),
ba͂stena͂je (Q253p Montzen)
|
pastinaak [ZND 05 (1924)]
I-7
|
| 23237 |
pastoor |
pastoor (<lat.):
der pastuer (Q253p Montzen),
pastu.ər (Q253p Montzen),
ənə pastuər (Q253p Montzen)
|
Een pastoor, het geestelijk hoofd van een parochie [pestoeër]. [N 96D (1989)] || pastoor [RND] || Pastoor. [ZND 14 (1926)]
III-3-3
|
| 23236 |
pastorie |
pastorie:
də pastərej (Q253p Montzen)
|
Het woonhuis van de pastoor, pastorie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23542 |
pateen |
pateen (<fr.):
patɛ̄n (Q253p Montzen)
|
De pateen, gouden schaaltje op de kelk [patieën?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23296 |
pater |
pater (lat.):
pa:tər (Q253p Montzen),
ənə pātər (Q253p Montzen)
|
Een ordegeestelijke, lid van een orde of congregatie, een pater [paâter]. [N 96D (1989)] || pater [RND]
III-3-3
|