| 23800 |
paaszaterdag |
goede samstag (du.):
gō zamstəch (Q253p Montzen)
|
Goede Zaterdag, Paaszaterdag [Kaarzamstiech]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 33320 |
pacht, vruchtgebruik |
pacht:
pāxt (Q253p Montzen)
|
Onder pacht worden drie samenhangende betekenissen verstaan: 1. hetgeen de pachter betaalt: "de pacht betalen"; 2. het vruchtgebruik van de grond: "grond in pacht hebben"; 3. het contract: "de boer heeft nog twee jaar pacht". Tocht hangt, evenals de nevenvorm tucht, oorspronkelijk samen met trekken in de betekenis "telen"; leeftocht is dan "tocht ("vruchtgebruik, pachtcontract") voor het leven". Aan tuis, vergelijk Mnl. tuuscen "dobbelen; bedriegen; ruilen", correspondeert Du. tauschen. Belading en belader corresponderen met belasting. Het feest van Sint Remeis of Sint Remigius, wiens naamdag naar de Romeinse kalender op 1 oktober valt, wordt wel de "huurdag der boerenknechten en meiden" genoemd (naar Jongeneel, 54). Bij boermeste: pachtvergoeding in natura; in plaats van een pachtsom te betalen, mocht de boer het onderhavige land voor één jaar gebruiken, mits hij voor eigen rekening het land een goede organische bemesting gaf. [L 14, 6; L 32, 101; Wi 18; monogr.]
I-6
|
| 33333 |
pachtboer |
halfing:
halǝfen (Q253p Montzen),
halǝfɛn (Q253p Montzen),
halfwinner:
halfwinner (Q253p Montzen)
|
Halfer e.d. vanwege de helft, die de pachter van de oogst kon behouden. [S 27; Wi 2; monogr.; add. uit A 10, 2bI]
I-6
|
| 21690 |
pachten |
pachten:
pa.xtǝ (Q253p Montzen)
|
[S 27; monogr.]
I-6
|
| 24534 |
paddestoel (alg.) |
champignon:
šampəljoŋ (Q253p Montzen),
eetbare --; gecombineerd met ZND 5 040
schampinjoŋ (Q253p Montzen),
šampəljoŏng (Q253p Montzen),
zwam:
zwam
žwâ.m (Q253p Montzen)
|
paddestoel [RND], [ZND 15 (1930)], [ZND m]
III-4-3
|
| 17550 |
pafferig dik, opgeblazen van lijf |
dik:
dek (Q253p Montzen),
opgeblazen (dik):
opgəblōzə (Q253p Montzen)
|
Dik, pafferig (papperig, vet, maf). [N 109 (2001)] || Opgeblazen van lijf (pafferig, pappetig, poesterig, opgezwollen). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17874 |
pak slaag |
pak slaag:
ne pakschlag (Q253p Montzen),
slaag:
schlèch (Q253p Montzen),
smakken:
schmagge (Q253p Montzen)
|
een pak slaag [ZND 06 (1924)] || hij zal strepen krijgen (een pak slaag) [ZND 07 (1924)]
III-1-2
|
| 18170 |
pak, kostuum |
kostuum:
kostym (Q253p Montzen)
|
een herenkostuum [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 24489 |
palmboompje |
palm:
pōͅ:m (Q253p Montzen),
palmboompje:
verzamelfiche ZND 15, 015 van Har, + ZND 5, 041
pōmbömke (Q253p Montzen),
palmstruik:
verzamelfiche ZND 15, 015 van Har, + ZND 5, 041
pōmsjtroek (Q253p Montzen)
|
palmboompje [ZND 15 (1930)] || palmboompje (buxus) [ZND m]
III-4-3
|
| 23791 |
palmbosje |
palmstruikje:
pōmsjtrYkskə (Q253p Montzen)
|
Het palmbosje dat op Palmzondag gewijd wordt [palemwösj]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|