| 18189 |
ouderwets |
oudentijds:
aowentutsch (Q253p Montzen),
oudertijds:
owərtietsj (Q253p Montzen)
|
Ouderwets. [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 28997 |
overhandsen, omslingeren |
overwerpen:
øvǝrwęrǝpǝ (Q253p Montzen)
|
Overhandsen is bij elke steek de draad over de zoom toehalen, terwijl omslingeren het rafelen moet voorkomen. Voor overhandsen en omslingeren wordt wel dezelfde steek gebruikt, maar er zijn toch verschillen. Bij overhandsen is er sprake van twee lagen of twee stukken stof, bij omslingeren is er slechts sprake van één stuk stof; bij overhandsen is er sprake van het aan elkaar bevestigen van twee delen, bij omslingeren van beveiligen van de stofrand tegen uitrafelen. Beide begrippen zijn in dit lemma ondergebracht. [N 59, 66; N 59, 65; N 59, 67; N 62, 15a; N 62, 15b; N 62, 15c; Gi 1.IV, 30]
II-7
|
| 18534 |
overhemd met boord |
hemd met een kraag:
hɛmə met ənə krāg (Q253p Montzen)
|
het overhemd met boord [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18535 |
overhemd zonder boord |
hemd ohne kraag:
hɛmə onə krāg (Q253p Montzen)
|
overhemd zonder boord [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 17889 |
overhoop halen |
durchein (du.) rammelen:
dørəgēramələ (Q253p Montzen)
|
Overhoop halen (modden, onderste boven / ondereen / overhoop halen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 30934 |
overige versieringen |
band:
bant (Q253p Montzen),
riem:
rę̄m (Q253p Montzen)
|
Verschillende soorten versieringen waarmee men lage schoenen garneert. [N 60, 35]
II-10
|
| 18505 |
overige versieringen [wld ii.10, p. 28] |
band:
bant (Q253p Montzen),
riem:
rēm (Q253p Montzen)
|
Andere versieringen? (strikken, pompons etc.)? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 30831 |
overleer |
overleer:
ǭvǝrlę̄r (Q253p Montzen)
|
Het betere, fijnere leer voor de bovenzijde van schoenen of het deel van de schoen daarvan gemaakt. Voor schoeisel dat niet uitsluitend voor de winter, voor de jacht, voor arbeid in het water of iets dergelijks wordt gebruikt, kan men het beste overleer nemen, dat steeds week en soepel blijft (Knöfel I, pag. 13). [N 60, 1a; N 60, 247]
II-10
|
| 30832 |
overleersoorten |
bokskalf:
bǫkskalǝf (Q253p Montzen),
chevreau:
šø̜vro (Q253p Montzen),
krokodilleleer:
krokodilǝlę̄r (Q253p Montzen),
vachette:
vašęt (Q253p Montzen)
|
Leersoorten die voor de bovenzijde van schoenen worden gebruikt. Voor het bovenleer hanteert men allerlei soorten vellen, maar het meest die van kalveren, geiten, lammeren en schapen. Daarnaast ook die van koeien, paarden, gemzen, damherten, slangen en krokodillen (Dierick, pag. 65). Al deze soorten zijn niet alle even goed. Elk heeft zijn eigen goede eigenschappen en gebreken. In het algemeen is de rug het beste deel van het vel, dan de hals, de buik en de poten. Wat betreft de waarde en sterkte van de vellen hangt ook veel af van de bereiding en de looistoffen. Men kan bij de bereiding werken met plantaardige looistoffen als eikeschors maar ook met chemische als chroomzout. Bij de benamingen in dit lemma onderscheidt men in hoofdzaak twee groepen. Er is een groep woordtypen van vetleer tot en met chag waaruit niet direct blijkt van welke diersoort het leer afkomstig is. Bij de tweede groep van koeleer tot en met reptiel is er sprake van duidelijk verband met een bepaalde diersoort zoals kalf, koe, geit, schaap en paard. De benaming vetleer duidt erop dat het leer met vet of traan ingesmeerd wordt om het soepel te houden. Tuigleer wijst op leer dat dienstig is bij het paardetuig. Chroom, chroomleer en anilineleer duiden op leersoorten die bewerkt zijn met chroom en aniline. Nappa is een leersoort van met chroom gelooide lamsvellen. Het woordtype chag hangt heel waarschijnlijk samen met het Franse chagrin, dat op zijn beurt een woordspeling zou zijn op sagrijn "leer met een korrelig oppervlak en meestal van mindere kwaliteit" (Liedmeier, pag. 23). Tenslotte is boks een verkorting van het Engelse boxcalf dat "met chroomzout gelooid kalfsleer" betekent. In Nederland wordt met boks wel eens alle runderleer bedoeld. Zie voor verdere toelichting ook het lemma overleersoorten in wbd II afl. 2, pag. 671-676. [N 60, 1b; N 60, 1a; N 60, 5; N 60, 247]
II-10
|
| 18388 |
overschoen |
galoche (fr.):
Recent, omstreeks 1930.
galof (Q253p Montzen),
overschoen:
øvəršōn (Q253p Montzen)
|
Een schoen die over een andere aangetrokken wordt bij regenachtig weer? (overschoen?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|