e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
opstijven dikker worden: dękǝr wɛǝdǝ (Montzen), opstijven: opštīvǝ (Montzen) De stroop door afkoelen stijf laten worden. [N 57, 33] II-2
optillen heven: hēͅ:və (Montzen), opheven: ophɛɛvə (Montzen) heffen [ZND m] || optillen [RND] III-1-2
optissen zoemen: zoemen (Montzen) Het maken van geluid door de bijen als men de korf of kast opent. [N 63, 72] II-6
opzettelijk expres: ook materiaal znd 1a-m  èksprès (Montzen) opzettelijk [ZND 23 (1937)] III-1-4
opzetten de brandzool op een leest houwen: dǝr brantzǭl op ǝnǝ lę̄s howǝ (Montzen), de schachten opzwikken: dǝr šęxt optswikǝ (Montzen) Het vastspijkeren van de binnenzool op de leest en het op de leest schuiven van het overleer. Zie afb. 35. [N 60, 78] II-10
organist orgelist: dər ørəgəlest (Montzen) De organist, orgelist. [N 96B (1989)] III-3-3
orgel orgel: e schön oksāl met en nŏj örgel (Montzen), et euregel (Montzen), ə sjön oksaal mit ən nöj ərəgəl (Montzen) Een schoon oksaal met een nieuw orgel. [ZND 05 (1924)] || Het orgel [het/de orgel, örgel, ölger, orjel?]. [N 96A (1989)] III-3-3
orgel spelen orgel spelen: ørəgəl schpɛ̄lə (Montzen) (op het) orgel spelen, het orgel bespelen. [N 96B (1989)] III-3-3
orgelpijpen orgelspijpen: de euregelspīp (Montzen) De pijpen van het orgel [örgelpiepe, orrejelspiefe?]. [N 96A (1989)] III-3-3
orgeltrapper blaasbalgtreder: dər blŏsbaləktrɛ̄nər (Montzen), orgeltreder: der ørəgəltrɛ̄nər (Montzen) De orgeltrapper, orgeltreder, die al pompend of tredend de blaasbalg van het orgel met lucht vulde [örgeltrèèjer, balketrèëner, herrejotswinkmecher?]. [N 96B (1989)] III-3-3