e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
onraad materiaal: matǝriāl (Montzen) Kleine benodigdheden die door de huisarbeider zelf betaald worden bij het bewerken van het door de ondernemer geleverde materiaal, zoals tacks, speldnagels, steekpinnen, garen, borstels, pek, glas, zwartsel, was en vet. [N 60, 142] II-10
ontbijt caf, de -: ka’fe (Montzen) namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 8 uur 30 [ZND 18G (1935)] III-2-3
onthoudingsdag magere dag: ənə magərə dāX (Montzen) Een onthoudingsdag: dag waarop men geen vlees, spek en jus uit vlees mag gebruiken. [N 96D (1989)] III-3-3
ontsteking zweer: ẓwɛ̄r (Montzen) Ontsteking: plaatselijke infectie van weefsel, lichaamsdelen, gepaard gaande met roodheid, zwelling en pijn (meuk, mik, zweer, (ver)zwering). [N 107 (2001)] III-1-2
ontzegelen disoperculeren: dezopɛrkylērǝ (Montzen) Het verwijderen van de wasdeksels die de honingcellen bedekken. Voordat de raten in de slinger gaan, moeten ze ontzegeld worden. Men heeft hiervoor een ontzegelmes of een ontzegelvork, soms werkt men, enigszins primitief, met een gewone eetvork. De techniek van het ontzegelen is uiterst eenvoudig. Het raam wordt bij de oren vastgehouden. Het steunt met een punt op een over de ontzegelbak gelegd plankje. Het mes wordt dan langs de latten gehaald waardoor de wasdeksels in een bak vallen. [N 63, 124a; Ge 37, 169; monogr.] II-6
ontzegelmes mes: mɛts (Montzen) Bepaald soort mes waarmee men de wasdeksels of zegels van de raten haalt, voordat men gaat slingeren. Een door electriciteit of stoom voortdurend op temperatuur gehouden ontzegelmes voldoet het beste. [N 63, 124b; N 63, 124d; Ge 37, 170; monogr.] II-6
ontzegelvork fourchette: vǝršet (Montzen) Bepaald soort vork, zo breed mogelijk met vele, smalle tandjes. Bij het ontzegelen wordt hij bij voorkeur warm gebruikt. Na het ontzegelen van elk raatvlak wordt hij in een bak heet water geplaatst. Voordat men gaat ontzegelen, slaat men het water even eraf. [N 63, 124c; N 63, 124b; N 63, 124d; Ge 37, 171; monogr.] II-6
onvast ter been (zijn) bouwvallig: bōwvɛləx (Montzen) Onvast ter been (dazelig, los/zwak/ slecht te been, schravelachtig). [N 109 (2001)] III-1-2
onwaardig onwaardig: onwürdəX (Montzen) Onwaardig [ónwèèrdig, ónwuurdieg]. [N 96D (1989)] III-3-3
onwel niet gezond: nēt gəzōnt ziə (Montzen, ... ) Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, niet goed, misselijk). [N 107 (2001)] || Zich niet lekker voelen (niet lekker, niet goed, gammel, krank). [N 107 (2001)] III-1-2