| 20382 |
ongehuwd samenleven |
ongetrouwd bijeen liggen:
ən ongətrowt bejēlijə (Q253p Montzen)
|
een concubinaat, een buitenechtelijke samenleving van man en vrouw, gedurende enige tijd [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 23246 |
ongelovige |
ongelovige:
ənə ongl"vəgə, də ongl"vəgə (Q253p Montzen)
|
Een ongelovige, de ongelovigen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 18130 |
ongeluk |
ongeluk:
ōgløk (Q253p Montzen)
|
Ongeluk: door een misgreep, door vallen gekwetst worden (ongeluk, ongeval, accident, malheur, paret). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 23486 |
ongewijde aarde |
ongewijde grond:
der ongewijde grōnt (Q253p Montzen)
|
Het deel van het kerkhof dat vroeger diende als begraafplaats a) voor ongedoopt gestorven kinderen, b) evt. voor iemand die zelfmoord had gepleegd, c) evt. voor een gevonden maar niet geïdentificeerd lijk [ongewiejde èèrd, ...buiten de heg", verloren kerk [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28669 |
ongezuiverde was |
brute was:
brȳtǝ wās (Q253p Montzen)
|
De van honing ontdane maar nog niet gewassen raten. [N 63, 121b; Ge 37, 146; monogr.]
II-6
|
| 33291 |
onkruid, algemeen |
onkruid:
onkrūt (Q253p Montzen)
|
De verzamelnaam van in het wild groeiende planten, tussen de cultuurgewassen; ze belemmeren de cultuurgewassen in hun groei en de boer zal ze dan ook bestrijden. Naar aanleiding van de opgave nuttigheid in L 387 merkt de zegsman op: "Nut is hier ɛvuil, viesɛ"; waarschijnlijker dan deze volksetymologie is echter dat het voorvoegsel on- hier is uitgevallen. Puinen, puimen is eigenlijk de soortnaam van een afzonderlijke plant (zie het lemma Kweek) maar hier uitdrukkelijk opgegeven als de algemene benaming voor alle soorten onkruid. Hetzelfde geldt voor de opgaven reutsel (zie het lemma Perzikkruid). De varianten op -ds zoals vuiligheids vertonen pseudo-klankverschuiving. [N 11, 70a en 80a; N 11A, 172d; N 14, 123 en 124; N 17, 11; N P, 15b en 16b; JG 1a, 1b; A 17, 11; A 26, 9; A 28, 10; A 30, 2; A 39, 1b; A 43, 13; L 2, 18; S 26; Wi 6; monogr.]
I-5
|
| 20452 |
onkuis |
onkuis:
onkø̄jsj (Q253p Montzen)
|
onkuis, onzuiver, ontuchtig [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 23974 |
onkuisaard |
vrouwenloper:
vrowəl"pər (Q253p Montzen)
|
Onkuisaard, viezerik op sexueel gebied [smeerlap, vieze beest, vieze fannie]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23973 |
onkuisheid |
onkuisheid:
onk"jsjhēt (Q253p Montzen)
|
Onkuisheid, onzuiverheid, ontuchtigheid [beesterij, zwijnerij]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 22316 |
onnozele-kinderendag |
feest van de onschuldige-kinderen:
fɛst van də onsjøldəgə keŋər (Q253p Montzen)
|
28 december, herinneringsdag van de kindermoord in Bethlehem, Onnozele Kinderen [Onnüezele Kinger, Allerkinderdag, der Kinderdag]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|