e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
onderhemd hemd: he.mə (Montzen), hèmd - hèmde (Montzen), slip: šli.p (Montzen) hemd (enkelvoud - meervoud) [ZND m] || hemd, hemden [ZND 01u (1924)] III-1-3
onderkerk kerkenkelder: vrijwel onbestaand  der kerekekɛlder (Montzen) De ruimte, de kelder onder de gehele kerk [onderkerk?]. [N 96A (1989)] III-3-3
onderkraag onderkraag: ondǝrkrāx (Montzen) Het onderste gedeelte van de kraag dat niet in het zicht komt. Het materiaal voor de onderkraag is doorgaans dunne maar dichtgeweven stof. Traditioneel wordt hiervoor kleermakersvilt gebruikt (Het Beste Naaiboek, pag. 389). [N 59, 121b] II-7
onderkussen, peluw hoofdpeluw: høͅpər (Montzen), kussen: køͅsə (Montzen) het langwerpig kussen dat op de matras en onder het eigenlijke hoofdkussen ligt (Fr. traversin) [ZND 27 (1938)] III-2-1
onderlip onderste lip: dər ønəṣtə lep (Montzen) Onderlip (onderlip, onderste lip) [N 106 (2001)] III-1-1
onderstukken schijven: šīvǝ (Montzen) De stukken leer van mindere kwaliteit tussen de omloper en de achterlap. Hiermee geeft men de hak hoogte. De informant van Q 18 vermeldt dat hij bekend was met het feit dat hiervoor buffelhuid werd gebruikt. Die was groen van kleur, dik en zeer slecht. Zie afb. 51. [N 60, 128b] II-10
onderwerk onderwerk: ondǝrwęrǝk (Montzen) Het onderste gedeelte van de schoen. Kn√∂fel (I, pag. 193) verstaat onder onderwerk "hak, zool, rand, binnenzool en contrefort (stijf) aan schoenwerk". [N 60, 74a] II-10
onderwerk [wld ii.10, p. 35] onderwerk: ondərwɛrək (Montzen) Het onderste gedeelte van de schoen (onderwerk?) [N 60 (1973)] III-1-3
onderwijzeres lehrerin (du.): liererin (Montzen) onderwijzeres [ZND m] III-3-1
ondiepe voor, ondiep geploegd land voortje: vø̜rǝkǝ (Montzen) In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor a) de ondiepe voor in het algemeen; b) de voor die ontstaat bij de een of andere manier van ondiep ploegen; c) de akker die in zodanige voren geploegd ligt. Van een indeling in groepen moest worden afgezien, omdat van sommige woordtypen niet alleen de meervouds-, maar ook de enkelvoudsvorm bruikbaar is voor de ondiepe voren waarmee men de akker beploegt, en bijgevolg voor de aldus bewerkte akker zelf. De termen zijn voornamelijk gerangschikt naar het grondwoord voor "ondiep geploegd" resp. "ondiepe voor". Voor het (...)-gedeelte van varianten zie men het lemma ploegvoor. [N P, 12; N 11A, 109c + d; add.: JG 1b; N 11, 59; A 20, 1b; monogr.] I-1