| 18257 |
onderhemd |
hemd:
he.mə (Q253p Montzen),
hèmd - hèmde (Q253p Montzen),
slip:
šli.p (Q253p Montzen)
|
hemd (enkelvoud - meervoud) [ZND m] || hemd, hemden [ZND 01u (1924)]
III-1-3
|
| 23417 |
onderkerk |
kerkenkelder:
vrijwel onbestaand
der kerekekɛlder (Q253p Montzen)
|
De ruimte, de kelder onder de gehele kerk [onderkerk?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 29059 |
onderkraag |
onderkraag:
ondǝrkrāx (Q253p Montzen)
|
Het onderste gedeelte van de kraag dat niet in het zicht komt. Het materiaal voor de onderkraag is doorgaans dunne maar dichtgeweven stof. Traditioneel wordt hiervoor kleermakersvilt gebruikt (Het Beste Naaiboek, pag. 389). [N 59, 121b]
II-7
|
| 19395 |
onderkussen, peluw |
hoofdpeluw:
høͅpər (Q253p Montzen),
kussen:
køͅsə (Q253p Montzen)
|
het langwerpig kussen dat op de matras en onder het eigenlijke hoofdkussen ligt (Fr. traversin) [ZND 27 (1938)]
III-2-1
|
| 17619 |
onderlip |
onderste lip:
dər ønəṣtə lep (Q253p Montzen)
|
Onderlip (onderlip, onderste lip) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 31037 |
onderstukken |
schijven:
šīvǝ (Q253p Montzen)
|
De stukken leer van mindere kwaliteit tussen de omloper en de achterlap. Hiermee geeft men de hak hoogte. De informant van Q 18 vermeldt dat hij bekend was met het feit dat hiervoor buffelhuid werd gebruikt. Die was groen van kleur, dik en zeer slecht. Zie afb. 51. [N 60, 128b]
II-10
|
| 29305 |
onderwerk |
onderwerk:
ondǝrwęrǝk (Q253p Montzen)
|
Het onderste gedeelte van de schoen. Knöfel (I, pag. 193) verstaat onder onderwerk "hak, zool, rand, binnenzool en contrefort (stijf) aan schoenwerk". [N 60, 74a]
II-10
|
| 18494 |
onderwerk [wld ii.10, p. 35] |
onderwerk:
ondərwɛrək (Q253p Montzen)
|
Het onderste gedeelte van de schoen (onderwerk?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 21428 |
onderwijzeres |
lehrerin (du.):
liererin (Q253p Montzen)
|
onderwijzeres [ZND m]
III-3-1
|
| 32699 |
ondiepe voor, ondiep geploegd land |
voortje:
vø̜rǝkǝ (Q253p Montzen)
|
In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor a) de ondiepe voor in het algemeen; b) de voor die ontstaat bij de een of andere manier van ondiep ploegen; c) de akker die in zodanige voren geploegd ligt. Van een indeling in groepen moest worden afgezien, omdat van sommige woordtypen niet alleen de meervouds-, maar ook de enkelvoudsvorm bruikbaar is voor de ondiepe voren waarmee men de akker beploegt, en bijgevolg voor de aldus bewerkte akker zelf. De termen zijn voornamelijk gerangschikt naar het grondwoord voor "ondiep geploegd" resp. "ondiepe voor". Voor het (...)-gedeelte van varianten zie men het lemma ploegvoor. [N P, 12; N 11A, 109c + d; add.: JG 1b; N 11, 59; A 20, 1b; monogr.]
I-1
|