e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
omheinen tuinen: tȳŋǝ (Montzen) Iets omgeven met een omheining, meest van toepassing op een weiland. [N 14, 63; L 32, 45; A 25, 9; Gwn 16, 11; Vld.; monogr.] I-8
omheining van het kerkhof muur om de kerkhof: dər moēr eum gənə kerəkəf (Montzen) De muur, de omheining van het kerkhof [toen, toun, tuun?]. [N 96A (1989)] III-3-3
omhelzen om de hals vallen: eŋə om gənə hos valə (Montzen) Omhelzen: iem. de armen om de hals slaan (omhelzen, om de hals/nek vallen, lief dujen) [N 108 (2001)] III-1-2
omhooggaan erop gaan: əropguə (Montzen) Omhooggaan, naar boven gaan (rijzen, (op)stijgen, omhoog gaan) [N 108 (2001)] III-1-2
omloper rand: rant (Montzen) Het riempje dat, na geschift of geschalmd te zijn, in hoefijzervorm met tacks wordt vastgeslagen en op welke basis men de hak laag voor laag opbouwt. De hiel van de voet is van onderen bol, zodat de hak daar enigszins hol moet zijn. Deze lichte welving wordt bereikt door als bovenste laag van de hak een plat afgeschifte reep leer rondom te leggen in de vorm van een hoefijzer (Liedmeier, pag. 18). Zie afb. 51. [N 60, 128a] II-10
omslag van de broek omslag: van met een v-tje zoals bij ø  ømsjlāg van də boks (Montzen) de omslag van de broek [N 59 (1973)] III-1-3
omslagdoek (alg.) plag: plak (Montzen), sjaal: schāl (Montzen) Doek, die om de schouders wordt geslagen (fr. châle). [ZND 05 (1924)] III-1-3
onbelangrijk weinig: wénex (Montzen) weinig [ZND m] III-4-4
onbewolkt klaar: klā:r (Montzen) klaar, helder [ZND 19A (1936)] III-4-4
onderarmsuçon zijnaad: zi-jnǭt (Montzen) Puntnaad die begint onder de oksel. [N 59, 94b] II-7