| 33745 |
omheinen |
tuinen:
tȳŋǝ (Q253p Montzen)
|
Iets omgeven met een omheining, meest van toepassing op een weiland. [N 14, 63; L 32, 45; A 25, 9; Gwn 16, 11; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 23479 |
omheining van het kerkhof |
muur om de kerkhof:
dər moēr eum gənə kerəkəf (Q253p Montzen)
|
De muur, de omheining van het kerkhof [toen, toun, tuun?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 17917 |
omhelzen |
om de hals vallen:
eŋə om gənə hos valə (Q253p Montzen)
|
Omhelzen: iem. de armen om de hals slaan (omhelzen, om de hals/nek vallen, lief dujen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 17850 |
omhooggaan |
erop gaan:
əropguə (Q253p Montzen)
|
Omhooggaan, naar boven gaan (rijzen, (op)stijgen, omhoog gaan) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 31036 |
omloper |
rand:
rant (Q253p Montzen)
|
Het riempje dat, na geschift of geschalmd te zijn, in hoefijzervorm met tacks wordt vastgeslagen en op welke basis men de hak laag voor laag opbouwt. De hiel van de voet is van onderen bol, zodat de hak daar enigszins hol moet zijn. Deze lichte welving wordt bereikt door als bovenste laag van de hak een plat afgeschifte reep leer rondom te leggen in de vorm van een hoefijzer (Liedmeier, pag. 18). Zie afb. 51. [N 60, 128a]
II-10
|
| 18548 |
omslag van de broek |
omslag:
van met een v-tje zoals bij ø
ømsjlāg van də boks (Q253p Montzen)
|
de omslag van de broek [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
plag:
plak (Q253p Montzen),
sjaal:
schāl (Q253p Montzen)
|
Doek, die om de schouders wordt geslagen (fr. châle). [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 25087 |
onbelangrijk |
weinig:
wénex (Q253p Montzen)
|
weinig [ZND m]
III-4-4
|
| 25149 |
onbewolkt |
klaar:
klā:r (Q253p Montzen)
|
klaar, helder [ZND 19A (1936)]
III-4-4
|
| 28955 |
onderarmsuçon |
zijnaad:
zi-jnǭt (Q253p Montzen)
|
Puntnaad die begint onder de oksel. [N 59, 94b]
II-7
|