| 28593 |
nitraat |
nitraat:
nitrāt (Q253p Montzen)
|
Zout van salpeterzuur. Deze stof gebruikt men eveneens ter bedwelming van de bijen. [N 63, 77c; JG 1a+1b; JG 2b-5, 10; monogr.]
II-6
|
| 30213 |
nok |
vorst:
vīs (Q253p Montzen)
|
De bovenste liggende balk in het dakgebint waartegen de kepers rusten. De nokgording heeft doorgaans een doorsnede van 9,5 x 9,5 cm. Onder nok of vorst verstaat men ook dikwijls het hoogst gelegen gedeelte van een dak, de dakbedekking inbegrepen. Zie ook het lemma 'ruiter' en afb. 49j en 85. [S 41; N 32, 43d; N 54, 161; L 8, 66a; L 12, 9; L B1, 169; monogr.; div.; Vld.]
II-9
|
| 24007 |
nooddoop |
nooddoop:
ən nuətōp (Q253p Montzen)
|
Een nooddoop, gadoop, geedoop [jieëdoof]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 28639 |
noodvoederen |
wintervoeren:
wentǝrvōrǝ (Q253p Montzen)
|
Het voederen aan het einde van de winter, als de bijen door hun eigen voorraad heen zijn en het nog te koud is om zelf honing te halen. Volgens de informant van L 333 is dit bijvoeren uit den boze en mag het eigenlijk niet voorkomen. [N 63, 110b; Ge 37, 194; monogr.]
II-6
|
| 21122 |
noten afslaan |
noten boken:
neute beòke (Q253p Montzen)
|
noten afslaan [ZND 36 (1941)]
III-2-3
|
| 23670 |
noveen |
noveen (<lat.):
də nøvɛ̄n (Q253p Montzen)
|
Een negendaagse godsvruchtoefening, novene, noveen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24903 |
ochtend (vanmorgen |
morgens:
smörgens (Q253p Montzen),
s morgens:
smörgens (Q253p Montzen)
|
s morgens) [ZND m]
III-4-4
|
| 23936 |
octaaf |
octaaf (<fr.):
də òktāf (Q253p Montzen)
|
Een octaaf, periode van 8 dagen ter viering van een groot kerkelijk feest. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23636 |
offerande |
offertoire (<lat.):
dɛr ofɛrtwār (Q253p Montzen)
|
De offerande, het offertorium [offeróng?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23408 |
offerblok |
offerstok:
òffersjtòk (Q253p Montzen)
|
Het metalen (vroeger houten) kastje, aangebracht bij de kerkuitgan(en) en/of bij een heiligenbeeld, waarin men geld kan deponeren [godsblik, offerstok, offerblok, offerbus, offerkist?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|