e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
neerstrijken op de vliegplank aanvliegen: ānvlēgǝ (Montzen) Het neerstrijken van de bij op de vliegplank van korf of kast, wanneer ze na een honingvlucht thuiskomt. [N 63, 45] II-6
negenoog bloedzweer: bló:tschwè:r (Montzen, ... ), [aantal:] één  blootzjwèr (Montzen), Één.  blootzjwèr (Montzen), karfunkel (du.): karvóŋkel (Montzen), karvôŋkel (Montzen), zonkelzweer: [aantal:] verschillende  zoonkəlzjwèr (Montzen), Verschillende.  zoonkəlsjwèr (Montzen) negenoog (bloedzweer, fr. juroncle) [ZND 05 (1924)], [ZND 05 (1924)] III-1-2
nek nek: nak (Montzen) Nek: achterste deel van de hals [N 106 (2001)] III-1-1
nemen, pakken nemen: nēͅ:mə (Montzen) nemen [ZND 25 (1937)] III-1-2
neomist nieuwgewijde, een ~: ənə nøjgəwīdə (Montzen) Een pas gewijde priester, Neomist. [N 96D (1989)] III-3-3
nerfkant bloem: blōm (Montzen), buitenkant: būtǝkant (Montzen) De kant van de huid waar het haar heeft gezeten. [N 60, 3a; N 60, 3c; N 36, 2a] II-10
nestkastje vogelskastje: vōͅgəlskēskə (Montzen) vogelkastje: Hoe noemt u in uw dialect een kastje voor vogels om in te nestelen dat men aan het huis of een boom hangt? [N 100 (1997)] III-4-1
neus neus: naas (Montzen, ... ), nas (Montzen), nā:s (Montzen), teen: tiǝn (Montzen) Het voorste deel van de schoen dat de tenen omsluit. [N 60, 25; N 60, 23a] || neus [ZND m] || Neus (mann. of vr.), een fijn neusje. [ZND 05 (1924)] || Zijn neus snuiten. [ZND 07 (1924)] II-10, III-1-1
neus (spotnamen) klomp: Dikke neus.  klōmp (Montzen) Spotbenamingen voor de neus [N 109 (2001)] III-1-1
neus van een schoen teen: tiən (Montzen) Het voorste deel van de schoen, dat de tenen omsluit (neus, neuslap) Zie tek. 23. [N 60 (1973)] III-1-3