| 17770 |
nagel |
nagel:
nagel (Q253p Montzen)
|
nagel [ZND m]
III-1-1
|
| 32955 |
nagras, tweede hooioogst |
groe(n)maad:
gromǝt (Q253p Montzen)
|
De opbrengst van de tweede maal dat er gehooid wordt, doorgaans eind augustus; zie de algemene toelichting bij deze paragraaf (''nagras''). [N 14, 128b, JG 1a, 1b en 2b; A 4, 26a; A GV, 2Gr.; L B2, 345; L 5, 8; L 14, 15; Gwn 7, 10; Wi 58; S 25; monogr.]
I-3
|
| 33097 |
nascharren, naoogsten |
reken:
rɛǝkǝ (Q253p Montzen)
|
De akker naoogsten met een rijf of houten hark. De boer deed dit doorgaans zelf, in tegenstelling tot het aren lezen dat dan door anderen werd gedaan. Zie de toelichting bij het lemma ''aren lezen'' (5.2.4). [N 15, 38a; JG 1a, 1b; L 34, 40; monogr.; add. uit N 15, 35; N 18, 93]
I-4
|
| 25909 |
nat |
mou:
mǭ (Q253p Montzen)
|
Het bezinksel dat na het zeven in de zeef overblijft. [N 57, 23b]
II-2
|
| 29366 |
natmaken |
natmaken:
natmaken (Q253p Montzen)
|
Het natmaken van de zool om hem te kunnen likken. Zie ook het lemma likken. [N 60, 121a]
II-10
|
| 33706 |
natuurlijke waterloop |
baak/bach:
bā.x (Q253p Montzen),
beekje:
bē̜.nskǝ (Q253p Montzen)
|
Natuurlijke, smal stromende waterloop. [N 27, 25; N 27, 24; A 2, 48; A 10, 21; A 20, 1d; A 20, 1c; AGV, m1; L 24, 17; L 24, 27; L 33, 10; L 37, 15; R I, 23; S 33; monogr.]
I-8
|
| 28582 |
nauwelijks stekende bijen |
zachte bijen:
(enk)
sātǝ bej (Q253p Montzen)
|
Volk dat nauwelijks steekt. Het ene ras is zachtaardiger dan het andere. Dit kan een gevolg zijn van veredeling op zwermtraagheid en krachtig broeden. Deze twee factoren verminderen de lust tot steken. [N 63, 73e; Ge 37, 126; monogr.]
II-6
|
| 18909 |
nauwgezet; nauwgezet persoon |
scrupuleus:
sjrĭĕpəléús (Q253p Montzen)
|
Hij is op zijn punt - sekuur (a.gezegd v.e. persoon; b.v.e. werk) [RND]
III-1-4
|
| 17766 |
navel |
navel:
nāvel (Q253p Montzen)
|
Navel (Fr. nombril). [ZND 05 (1924)]
III-1-1
|
| 20361 |
neef |
cousin (fr./du.):
cf. VD F-N s.v. "cousin, - ine"(neef, nicht; zoon, dochter van oom of tante)
couzin (Q253p Montzen),
neef:
nèèf (Q253p Montzen),
nééf (Q253p Montzen),
vetter (du.):
cf. VD D-N s.v. "Vetter"(neef; zoon van oom of tante)
fèter (Q253p Montzen)
|
neef [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|