| 28886 |
naaldenkoker |
naaldenbuisje:
nø̜ldǝbø̄skǝ (Q253p Montzen)
|
Langwerpige koker voor het bewaren van spelden en naalden. Deze koker kan van hout zijn en kan wat krijtpoeder bevatten. Volgens de informant van L 416 worden naalden zo bewaard om naaldenroest tegen te gaan. De informant van Q 111* vermeldt dat men daar talkpoeder gebruikt in plaats van krijtpoeder. [N 59, 13b; N 62, 70; Gi 1.IV, 63; monogr.]
II-7
|
| 30983 |
naaldhak |
naald:
nø̜lt (Q253p Montzen)
|
De hoge en puntige hak bij damesschoenen. [N 60, 126d]
II-10
|
| 23814 |
naampatroon |
schutspatroon:
sjøtspatruən (Q253p Montzen)
|
Een naampatroon, de heilige naar wie men is genoemd [namenspatroeën]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23529 |
naar de mis gaan |
de mis horen:
də mēs hy(3)̄rə (Q253p Montzen)
|
De mis bijwonen, de mis horen [mès huëre, mès bèèje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34013 |
naar links |
haar:
hār (Q253p Montzen)
|
Voermansroep om het paard naar links te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95 c, 95d en 96; L 1 a-m; L B 2, 255; L 26, 2; L 36, 81c; S 12; monogr.]
I-10
|
| 34014 |
naar rechts |
hot:
hot (Q253p Montzen)
|
Voermansroep om het paard naar rechts te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95a en 96; L 1 a-m; L B 2, 256; L 26, 2; L 36, 81d; S 12; monogr.]
I-10
|
| 23948 |
naaste |
nchste (du.):
diŋə / üürə nɛɛkstə (Q253p Montzen)
|
Je/uw naaste, evennaaste, evenmens [naoste, nôste, èèvemins]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23725 |
nabidden |
nabeden:
nōbɛ̄nə (Q253p Montzen)
|
Nabidden, d.w.z. antwoorden bij het bidden, de tweede helft van een gebed bidden. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24213 |
nachtegaal |
nachtegaal:
nâtegal (Q253p Montzen)
|
nachtegaal [ZND 05 (1924)]
III-4-1
|
| 23772 |
nachtmis |
hoofdnachtmis:
hōfnatsmēs (Q253p Montzen)
|
De mis die snachts wordt gedaan, nachtmis. [N 96C (1989)]
III-3-3
|