| 29073 |
naadloze rug of middenrug |
rug ane naad:
røk onǝ nǭt (Q253p Montzen)
|
Middenrug zonder naad. Volgens de informanten van L 416, P 52 en Q 88 betreft een dergelijk onderdeel een sportjas of blazer. [N 59, 87]
II-7
|
| 28848 |
naaidraad |
vaam:
vām (Q253p Montzen)
|
Om te naaien gebruikt men een draad van niet te grote lengte. De lengte van de draad moet gelijk zijn aan de lengte van de onderarm (Gerritse, pag. 37) en mag niet langer zijn dan 50 à 60 cm (Papenhuyzen III, pag. 13). Een te lange draad is nadelig, omdat de draad door het veelvuldig doortrekken aan het einde slijt en minder sterk wordt. [N 59, 15; MW]
II-7
|
| 28708 |
naaien |
naaien:
niǝnǝ (Q253p Montzen),
nīǝnǝ (Q253p Montzen)
|
Algemene benaming voor naaien. Informanten uit P 119, P 188 en Q 77 merken op dat de benaming lappen ouder is dan naaien. [N 62, 1a; N 62, 1d; A 2, 70; A 37, 1c; L 31, 46; Gi 1.IV, 12; MW; RND; Wi 40; S 25; monogr.]
II-7
|
| 28891 |
naaimachine |
naaimachine:
niǝnmašiŋ (Q253p Montzen)
|
Werktuig om machinaal mee te naaien. [N 59, 17a; monogr.]
II-7
|
| 30964 |
naaispaan |
pits:
petš (Q253p Montzen)
|
Het instrument waarmee men bij het naaien de stukken leer bij elkaar houdt. Twee gebogen latten, b.v. twee duigen, zijn van de ene kant met een stukje leer aan elkaar vastgemaakt, zodat ze daar kunnen scharnieren. Men klemt het te naaien leer tussen de gebogen latten door ze met de knieën tegen elkaar te drukken (Liedmeier, pag. 25). Volgens de informant van L 163a is een stikspaan een eiken plank van 60 cm lengte en 10 cm breedte. Zie afb. 30. [N 60, 56]
II-10
|
| 28711 |
naaister |
snijderse:
šnīdǝšǝ (Q253p Montzen)
|
De algemene benaming voor een vrouw die als beroep heeft het verrichten van naaiwerk en het vervaardigen van kledingstukken. [N 59, 196; N 62, 1b; N 62, 1d; MW; Wi 18; monogr.]
II-7
|
| 28734 |
naaiwerk |
gesneden schoen:
gǝšnedǝ šōn (Q253p Montzen)
|
Schoenen waarvan het bovenwerk aan het onderwerk is genaaid. Het is niet duidelijk of de verschillende woordtypen hetzelfde aanduiden. [N 60, 104]
II-10
|
| 28856 |
naaizijde |
naaizij(de):
niǝnzi-j (Q253p Montzen),
zijdegaren:
ziǝgān (Q253p Montzen)
|
Zijden naaigaren dat oorspronkelijk vervaardigd werd van zuiver zijde. Meestal werkt men nu met zijde die gemaakt is van afvalzijde met katoen (Papenhuyzen III, pag. 12). [N 59, 7a; N 59, 7c; N 62, 57]
II-7
|
| 18184 |
naakt |
naaks:
naks (Q253p Montzen),
Moedernaakt is de informant onbekend.
naks (Q253p Montzen),
poedelnaaks:
pŭdelnaks (Q253p Montzen),
polkernaaks:
pólgernaks (Q253p Montzen)
|
moedernaakt (naakt) [ZND 11 (1925)] || Naakt, moedernaakt. [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 26113 |
naald |
naald:
nolt (Q253p Montzen),
nult (Q253p Montzen),
nø̜lt (Q253p Montzen)
|
De naald is een draad gehard staal, voorzien aan de ene zijde van een spitse punt en aan de andere zijde van een oog om de draad door te steken. De kleermaker of naaister gebruikt ze om te naaien, te stoppen of te borduren. Men kent naalden in verschillende lengtes en diktes. De keuze van de naald hangt af van het beoogde doel, de draad en dikte van de draad en de dikte van de stof (Gerritse, pag. 26 en 27). [N 59, 11a; N 62, 49a; N 62, 49c; L 5, 2; L 8, 29; L B1, 76; Gi 1.IV, 13a; MW; Wi 6; S 25; monogr.]
II-7
|