| 29070 |
mouwomslag, manchet |
manchet:
manžęt (Q253p Montzen)
|
Verlengstuk aan het einde van een mouw; vaak afzonderlijk, en dan al of niet aan de mouw vastgemaakt. [N 62, 34d; N 59, 134; MW]
II-7
|
| 29066 |
mouwsplitje |
split:
šplet (Q253p Montzen)
|
Het splitje onder aan de mouw van het colbert. [N 59, 131a]
II-7
|
| 29069 |
mouwvoering aannaaien |
mouw inzetten:
mow ē̜zetǝ (Q253p Montzen)
|
De voering van de mouw aan het armsgat hechten. [N 59, 127]
II-7
|
| 24357 |
muis |
muis:
müs (mv.) (Q253p Montzen),
NOL, muv Q 199 en 200
my(3)̄:s (mv.) (Q253p Montzen)
|
muis
III-4-2
|
| 20122 |
muizen |
muizen:
mūze (Q253p Montzen)
|
de katten muizen [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 30906 |
mussebek |
mussebek:
møjšǝbęk (Q253p Montzen)
|
Bepaald soort spijker die slijtage van de hak moet tegen gaan. Volgens de informant van Q 253 is de mussebek een vierkante, korte, dikke spijker zonder kop, enigszins in de vorm van een omgekeerde pyramide met twee mm basiszijkant en acht tot tien mm hoog. [N 60, 201d1; N 60, 201d2; N 60, 201d3]
II-10
|
| 18418 |
muts: algemeen |
kalot (<fr.):
kəlot (Q253p Montzen),
kap:
kap (Q253p Montzen),
muts:
møtš (Q253p Montzen)
|
pet, muts, klak [RND]
III-1-3
|
| 30091 |
muur |
muur:
mū.r (Q253p Montzen),
mūr (Q253p Montzen)
|
Uit diverse materialen, bijvoorbeeld baksteen of beton, opgetrokken bouwwerk ter afscheiding of ter ondersteuning. In dit en de volgende lemmata wordt onder een 'muur' vooral een uit bakstenen samengestelde afscheiding verstaan. Het woord 'wand' wordt in het onderzoeksgebied meestal gebruikt voor een uit verticale en horizontale balken samengestelde muur die vervolgens met vlechtwerk of metselwerk wordt opgevuld. Zie ook de paragraaf over het vak- en vlechtwerk. Worden in een gebouw een of meer kelders aangebracht, dan worden de muren die de kelder omsluiten geheel van harde metselsteen en waterdichte mortel opgetrokken. Een muur die boven de grond wordt opgemetseld, noemt men een 'opgaande muur'. Bij de muren van gebouwen onderscheidt men buiten- en binnenmuren en de voor-, zij- en achtergevel, de muren die respectievelijk de voorzijde, de zijkant en de achterzijde van het bouwwerk vormen. [N 31, 32a; S 25; L 1 a-m; L 6, 41b; L 12, 5; monogr.; Vld]
II-9
|
| 24506 |
muurbloem |
muurkruid:
-
muurkruid (Q253p Montzen)
|
muurbloem
III-4-3
|
| 22751 |
muziek |
muziek:
müzik (Q253p Montzen)
|
Muziek. [ZND m]
III-3-2
|