| 34393 |
mannelijk schaap |
bok:
bo.k (Q253p Montzen),
bok (Q253p Montzen),
schaapsbok:
sxǫpsbǫk (Q253p Montzen),
weer:
węi̯ǝr (Q253p Montzen)
|
Het mannelijk schaap in het algemeen. Varianten van het woordtype hamel die voor "mannelijk schaap" zijn opgegeven, zijn naar het lemma ''gesneden mannelijk schaap'' (2.2.5) overgeheveld. [L 5, 30b; L 20, 22a; L 39, 44; L 6, 25; L B2, 319; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 2, 46; A 4, 22a; Wi 12; AGV, m 3; R 3, 34; VLD; S, Q 105 add.; monogr.]
I-12
|
| 24204 |
mannelijke eend |
eendvogel:
entvōgəl (Q253p Montzen),
èntf‧ōgəl (Q253p Montzen)
|
woerd, mannetjeseend [ZND 01 (1922)]
III-4-1
|
| 24205 |
mannelijke eend, woerd |
eendvogel:
ɛn.tfā:gəl (Q253p Montzen)
|
woerd: mannelijke eend. Hoe roept men eenden? [GV K (1935)]
III-4-1
|
| 34446 |
mannelijke geit |
bok:
bo.k (Q253p Montzen)
|
[N 70, 8; N 77, 78; N 77, 80; A 9, 19; L 32, 82; Wi 11; RND 89; JG 1a, 1b, 2c; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 19960 |
mannelijke hond, reu |
rède (d.):
retsje (Q253p Montzen),
reͅtsə (Q253p Montzen)
|
hond [ZND 01 (1922)] || reu [ZND m]
III-2-1
|
| 34555 |
mannelijke kalkoen |
schroethaan:
šrūthān (Q253p Montzen)
|
[A 6, 3a; S 16; L 1, 113; R 14, 3; monogr.]
I-12
|
| 34559 |
mannelijke pauw |
pauwhaan:
pōhān (Q253p Montzen)
|
I-12
|
| 23364 |
mannenkant |
evangeliumzijde:
de evanŋyēliomzij (<du.) (Q253p Montzen)
|
De linkerhelft van de kerk, het gedeelte links van het middenpad, dat bestemd was voor de mannen [evangeliekant, mannenkant, mansluikant, kerelskant?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30870 |
mansleest |
leest voor mansschoenen:
lę̄s vø̜r mansšōn (Q253p Montzen)
|
De leest voor mannenschoenen. Het betreft de maten 39 tot en met 50. [N 60, 186d]
II-10
|
| 31105 |
manswerk |
mansschoenen:
mansšōn (Q253p Montzen)
|
Schoenwerk voor heren in grote maten, de maten 40 t/m 47. [N 60, 205a]
II-10
|