| 23474 |
luiden voor een begrafenis |
doodluiden:
doeëtloege (Q253p Montzen)
|
Het luiden bij de begrafenis [t loet tsóm jraaf?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20478 |
luier |
vees:
vees (Q253p Montzen),
vies (Q253p Montzen)
|
luier (kinderdoek) [ZND 01u (1924)]
III-2-2
|
| 23452 |
luiportaal |
torenzolder:
der tòənzeulder (Q253p Montzen)
|
Het luiportaal, vertrek of ruimte onder de toren waar de klokketouwen hangen. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20486 |
lusten |
lusten:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)
löste (Q253p Montzen)
|
lusten (die soep lust ik niet) [ZND 30 (1939)]
III-2-3
|
| 23871 |
maagden in de processie |
palmdragers:
?
dɛ paləmdrɛ̄gəsjə (Q253p Montzen)
|
De grotere meisjes, de jonge vrouwen die, in het wit gekleed, meelopen in de sacramentsprocessie, terwijl ze elk een palmtak (maagdenpalm) of samen een Mariabeeld dragen (maagden, maagdenkoor). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28652 |
maagdenhoning |
jongferhoning:
joŋfǝrhǫǝneŋ (Q253p Montzen)
|
Honing die zonder persing uit de honingraten loopt, of honing waar nog nooit broed in is geweest. Maagdenhoning is van heel goede kwaliteit. [N 63, 115a; monogr.]
II-6
|
| 31868 |
maaien |
maaien:
mīǝnǝ (Q253p Montzen)
|
Vóór het verschijnen van de maaimachines werd het gras in het algemeen met de zeis gemaaid; de lemma''s van deze paragraaf hebben dan ook alleen op het maaien met de zeis betrekking. Aan het slot van de paragraaf over de zeis komt de grasmaaimachine zelf nog ter sprake. Hieronder zijn opgenomen de algemene benamingen voor het maaien: het afsnijden van het gras, het koren of een ander gewas met de zeis. In dit lemma en in de klankkaart wordt het woord maaien zèlf gedocumenteerd; in het volgende lemma, ''gras (af)maaien'', worden dan de specifieke of afwijkende woorden en woordvormen met betrekking tot het gras opgenomen. Zo zullen in de aflevering over de Akkerbouw de specifieke woorden voor het maaien van het graan en de andere gewassen worden gegeven. In de klankkaart is de klankkleur en de lengte van de klinker aangegeven; korte klinkers hebben een toevoeging aan het symbool. De aan- en afwezigheid van de j-klank is niet in kaart gebracht, maar uit de varianten in het lemma zelf af te lezen; per aangegeven klankkleur staan steeds de varianten met j-klank vooraan. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in kaart gebracht.' [N 11, add.; N 14, 86 add.; N 18, 67 add.; JG 1a, 1b; A 2, 70; A 3, 38, 40d; A 23, 16; L A2, 325, 483; L 4, 38; L 35, 85; L 39, 41; R 1; RND 122; S 22 add.; Wi 40; Lu 2, 34 II; monogr.]
I-3
|
| 25162 |
maanx |
mond (du.):
mònt (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
maan [ZND 01 (1922)], [ZND 30 (1939)]
III-4-4
|
| 30843 |
maatband, meetlint |
koordje:
kø̜ǝtšǝ (Q253p Montzen)
|
Een lint van stof of een papieren reepje waarmee men de hoogte van de voet aan de wreef en aan de hiel kan vaststellen. [N 60, 153]
II-10
|
| 28852 |
machinegaren |
machinegaren:
mašiŋǝgān (Q253p Montzen)
|
Fijner soort garen die men gebruikt bij het naaien op de naaimachine. [N 59, 6c; N 62, 57; monogr.]
II-7
|