| 20443 |
lijkbaar |
baar:
də baor (Q253p Montzen)
|
De lijkbaar [liechebaar, baar]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20254 |
lijkenhuisje |
dodenhuisje:
et douëdehuske (Q253p Montzen)
|
Het gebouwtje op of bij het kerkhof, waar de lijkbaar staat en waar men vroeger zo nodig een lijk tijdelijk onderbracht [lijkenhuisje, liek(e)huuske, dodenhuisje, doeëdehuus-je?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20418 |
lijksro |
schoof:
šōəf (Q253p Montzen)
|
doodsbed [ZND m]
III-2-2
|
| 20466 |
lijkwagen |
dodenwagel:
dər duədewāgəl (Q253p Montzen)
|
de lijkwagen [doeëdewaan] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 30954 |
lijm voor het plakken |
leerlijm:
lę̄rlīm (Q253p Montzen)
|
De lijm die men bij het plakken gebruikt. Het woordtype Bärenklau verwijst naar een Duitse merknaam. [N 60, 49]
II-10
|
| 22329 |
lijn waar het spel begint |
krijt:
krêt (Q253p Montzen),
schraam:
šroom (Q253p Montzen)
|
Lijn (waar het knikkerspel begint). [ZND m] || Schram, lijn. [ZND m]
III-3-2
|
| 21098 |
lijnzaadmeel |
lijnzaadmeel:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m nb. boven de è staat een lengte teken.
lézemèl (Q253p Montzen),
lijnzemeel:
linzǝmɛ̄l (Q253p Montzen),
lijzemeel:
lēzǝmɛ̄l (Q253p Montzen),
vlasmeel:
vlāsmēl (Q253p Montzen)
|
De gedroogde pulp die overblijft na het slaan van de olie uit het lijnzaad. Het meel wordt als veevoeder gebruikt. Indien in samenstellingen met lijnzaad- dit woorddeel onverkort is gebleven en gelijk aan de opgave voor lijnzaad in dat lemma, dan is hier naar de variant van het lemma Lijnzaad, Vlaszaad verwezen. Voor de typen lijzend en lijzens naast lijzaad zie de toelichting bij het lemma Lijnzaad, Vlaszaad. [monogr.; add. uit L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31] || lijnzaadmeel [ZND 01u (1924)]
I-5, III-2-3
|
| 31056 |
likhout |
glijver:
glīvǝr (Q253p Montzen)
|
Een stuk hout, er uitziend als een stoelsport, gebruikt om de zolen stevig te polijsten. Volgens de informant van K 278 heeft dit stuk ongeveer de vorm van een deegrol. Zie afb. 57. [N 60, 122c]
II-10
|
| 20492 |
likken |
glijven:
glīvǝ (Q253p Montzen),
polieren:
polę̄rǝ (Q253p Montzen)
|
Het leer gladmaken met behulp van polijstinstrumenten of met een glad stuk hout met kracht over de bevochtigde zool wrijven. [N 60, 122a; N 60, 122b]
II-10
|
| 31071 |
likker |
bout:
bōt (Q253p Montzen)
|
Het polijstinstrument in het algemeen. Volgens de informant van Q 235 duidt de benaming bout om het even welk werktuig aan met een gladde kop waarmee men met kracht over het leer wrijft. [N 60, 135a]
II-10
|