e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
lijkbaar baar: də baor (Montzen) De lijkbaar [liechebaar, baar]. [N 96D (1989)] III-3-3
lijkenhuisje dodenhuisje: et douëdehuske (Montzen) Het gebouwtje op of bij het kerkhof, waar de lijkbaar staat en waar men vroeger zo nodig een lijk tijdelijk onderbracht [lijkenhuisje, liek(e)huuske, dodenhuisje, doeëdehuus-je?]. [N 96A (1989)] III-3-3
lijksro schoof: šōəf (Montzen) doodsbed [ZND m] III-2-2
lijkwagen dodenwagel: dər duədewāgəl (Montzen) de lijkwagen [doeëdewaan] [N 96D (1989)] III-2-2
lijm voor het plakken leerlijm: lę̄rlīm (Montzen) De lijm die men bij het plakken gebruikt. Het woordtype Bärenklau verwijst naar een Duitse merknaam. [N 60, 49] II-10
lijn waar het spel begint krijt: krêt (Montzen), schraam: šroom (Montzen) Lijn (waar het knikkerspel begint). [ZND m] || Schram, lijn. [ZND m] III-3-2
lijnzaadmeel lijnzaadmeel: verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m nb. boven de è staat een lengte teken.  lézemèl (Montzen), lijnzemeel: linzǝmɛ̄l (Montzen), lijzemeel: lēzǝmɛ̄l (Montzen), vlasmeel: vlāsmēl (Montzen) De gedroogde pulp die overblijft na het slaan van de olie uit het lijnzaad. Het meel wordt als veevoeder gebruikt. Indien in samenstellingen met lijnzaad- dit woorddeel onverkort is gebleven en gelijk aan de opgave voor lijnzaad in dat lemma, dan is hier naar de variant van het lemma Lijnzaad, Vlaszaad verwezen. Voor de typen lijzend en lijzens naast lijzaad zie de toelichting bij het lemma Lijnzaad, Vlaszaad. [monogr.; add. uit L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31] || lijnzaadmeel [ZND 01u (1924)] I-5, III-2-3
likhout glijver: glīvǝr (Montzen) Een stuk hout, er uitziend als een stoelsport, gebruikt om de zolen stevig te polijsten. Volgens de informant van K 278 heeft dit stuk ongeveer de vorm van een deegrol. Zie afb. 57. [N 60, 122c] II-10
likken glijven: glīvǝ (Montzen), polieren: polę̄rǝ (Montzen) Het leer gladmaken met behulp van polijstinstrumenten of met een glad stuk hout met kracht over de bevochtigde zool wrijven. [N 60, 122a; N 60, 122b] II-10
likker bout: bōt (Montzen) Het polijstinstrument in het algemeen. Volgens de informant van Q 235 duidt de benaming bout om het even welk werktuig aan met een gladde kop waarmee men met kracht over het leer wrijft. [N 60, 135a] II-10