| 22749 |
leeuw |
leeuw:
li.ə.f (Q253p Montzen),
löw (Q253p Montzen)
|
Leeuw. [ZND m], [ZND m]
III-3-2
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
lēͅ:yə (Q253p Montzen)
|
leggen [ZND m]
III-1-2
|
| 28498 |
leggende werkbij |
pokkelbij:
pukǝlbej (Q253p Montzen)
|
Een werkbij die eieren legt. Bij moerloosheid kunnen ook werkbijen optreden als eierenlegster. Maar zij doen dit leggen niet zo goed als de moer. De eieren zijn echter onbevrucht, omdat de werkbij geen darrenzaad heeft ontvangen. Uit de eieren komen alleen darren. Eieren van leggende werkbijen vindt men altijd aan de rand van een cel. Een koningin legt in het midden van de cel. Zie voor de fonetische documentatie van (werkbij) het lemma Werkbij en van (bij) het lemma Bij. [N 63, 62a]
II-6
|
| 29060 |
legger |
plat stuk:
plat štøk (Q253p Montzen)
|
Het liggend deel van een omvallende kraag. [N 59, 123b]
II-7
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
de lɛj (Q253p Montzen)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 21503 |
lenen |
lenen:
liene (Q253p Montzen),
li‧ə.nə (Q253p Montzen)
|
leenen [ZND 14 (1926)], [ZND m]
III-3-1
|
| 28934 |
lengte |
lengte:
lęŋdǝ (Q253p Montzen)
|
Benaming voor een verticaal genomen maat, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als broeklengte, of voor een horizontaal genomen maat voor een verticaal deel van het kledingstuk, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als mouwlengte. [N 59, 47a, N 62, 2b]
II-7
|
| 17558 |
lenig |
gesmij:
gəṣmøj (Q253p Montzen)
|
Lenig (zwak, gezwank, lips). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 24895 |
lente, voorjaar |
uithoud:
ps. boven de ò staat nog een dakje (^ deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.
uthòt (Q253p Montzen),
vroegjaar:
ps. boven de ò staat nog een lengteteken; deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.
vröxjòr (Q253p Montzen)
|
lente [ZND 30 (1939)]
III-4-4
|
| 19553 |
lepel |
lepel:
leə.pəl (Q253p Montzen)
|
lepel [ZND m]
III-2-1
|