e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
leeuw leeuw: li.ə.f (Montzen), löw (Montzen) Leeuw. [ZND m], [ZND m] III-3-2
leggen leggen: lēͅ:yə (Montzen) leggen [ZND m] III-1-2
leggende werkbij pokkelbij: pukǝlbej (Montzen) Een werkbij die eieren legt. Bij moerloosheid kunnen ook werkbijen optreden als eierenlegster. Maar zij doen dit leggen niet zo goed als de moer. De eieren zijn echter onbevrucht, omdat de werkbij geen darrenzaad heeft ontvangen. Uit de eieren komen alleen darren. Eieren van leggende werkbijen vindt men altijd aan de rand van een cel. Een koningin legt in het midden van de cel. Zie voor de fonetische documentatie van (werkbij) het lemma Werkbij en van (bij) het lemma Bij. [N 63, 62a] II-6
legger plat stuk: plat štøk (Montzen) Het liggend deel van een omvallende kraag. [N 59, 123b] II-7
lei(en) lei(en): de lɛj (Montzen) Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)] III-3-3
lenen lenen: liene (Montzen), li‧ə.nə (Montzen) leenen [ZND 14 (1926)], [ZND m] III-3-1
lengte lengte: lęŋdǝ (Montzen) Benaming voor een verticaal genomen maat, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als broeklengte, of voor een horizontaal genomen maat voor een verticaal deel van het kledingstuk, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als mouwlengte. [N 59, 47a, N 62, 2b] II-7
lenig gesmij: gəṣmøj (Montzen) Lenig (zwak, gezwank, lips). [N 109 (2001)] III-1-1
lente, voorjaar uithoud: ps. boven de ò staat nog een dakje (^ deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.  uthòt (Montzen), vroegjaar: ps. boven de ò staat nog een lengteteken; deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.  vröxjòr (Montzen) lente [ZND 30 (1939)] III-4-4
lepel lepel: leə.pəl (Montzen) lepel [ZND m] III-2-1