| 24931 |
leem, pijpaarde |
leem:
lê‧m (Q253p Montzen)
|
leem [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
| 30841 |
leer met natuurlijke kleur |
natuurleer:
natūrlę̄r (Q253p Montzen)
|
Leer met een natuurlijke kleur. [N 60, 13]
II-10
|
| 30816 |
leerjongen |
leerjong:
liǝrjoŋ (Q253p Montzen)
|
Jongen die bij de schoenmaker inkomt om het vak te leren. [N 60, 217a; monogr.]
II-10
|
| 23613 |
leerrede |
predik:
də prɛ̄dəch (Q253p Montzen)
|
Een leerrede, een tekstverklarende preek, homilie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30941 |
leerschaar |
scheer:
šiǝr (Q253p Montzen)
|
Een grote, zware schaar om het leer te knippen. De informant van L 163a beschrijft die als een soort getande snoeischaar. [N 60, 41, N 60, 240a]
II-10
|
| 31136 |
leerwals |
wals:
wals (Q253p Montzen)
|
De wals waarmee men het leer voor de reparatie bewerkt. Knöfel I zegt op pag. 288: "Zoolledermachines dienen om het kloppen te vervangen en werken, zooals de naam aanduidt, met zware walsen of rollen. Men is het in vakkringen nog niet geheel eens, wat beter is, walsen of kloppen, maar uit het feit, dat de walsmachines meer en meer ook bij de klein-industrie in gebruik komen, mag wel afgeleid worden, dat men, zoo er bezwaar mocht bestaan, daar met gerustheid overheen stapt. Wie een walsmachine in zijn bezit heeft, is er zeer tevreden mede, omdat het hem een moeilijk werk uit de hand neemt. Trouwens, zij zijn in de grootindustrie algemeen in gebruik. Het leer wordt onder de wals vaster en ook mooier op t oog. [N 60, 241b]
II-10
|
| 30861 |
leest |
leest:
lę̄s (Q253p Montzen),
lę̄ǝs (Q253p Montzen)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 31086 |
leesthaak |
haak:
hǭk (Q253p Montzen),
leesthaak:
lę̄shǭk (Q253p Montzen)
|
Haak waarmee men de leest uit de opgemaakte schoen trekt. Boven in de leest zit een gat waar de leesthaak in past. Zie afb. 65. [N 60, 141a; monogr.]
II-10
|
| 30961 |
leestklaar maken |
schacht garneren:
šęxt garnę̄rǝn (Q253p Montzen)
|
Het door middel van naden verbinden van de verschillende uitgesneden delen van het boventuig en het inrichten der bovenwerken voor rijg-, knoop-, gesp- en elastieksluiting. [N 60, 53]
II-10
|
| 31096 |
leestplaat |
plaat:
plāt (Q253p Montzen)
|
De metalen plaat die onderdeel uitmaakt van de plaatleest en waarin drie spleetvormige openingen zijn aangebracht om de binnenzool met spijkertjes te kunnen vastslaan. [N 60, 189b]
II-10
|